Het werd weer eens tijd voor een nieuwe bijdrage. Ik ben er even een tijdje tussenuit geweest om te genieten van een vakantie (al dan niet welverdiend), en start weer langzaam op. Om er in te komen keer ik daarom niet meteen terug met een lange post over historische ontwikkelingen en de strijd om betere arbeidsomstandigheden; die bewaar ik nu nog even voor een ander moment. Ik begin met een korte post over het H-woord. Jawel, hypotheekrenteaftrek.
Het mag opvallend genoemd worden dat dit thema vooral lijkt te spelen rond verkiezingstijd, en dat de aandacht voor dit thema buiten die periodes om dus vanzelf een stuk minder wordt. Maar dat leek me juist reden genoeg om het debat over deze huizensubsidie ook in electoraal kalmere periodes levend te houden.
Hypotheekrenteaftrek levert niet alleen voordeel op bij je woonlasten
Eigenlijk valt er niet zoveel nieuws te melden over de hypotheekrenteaftrek; het meeste mag inmiddels wel als bekend worden verondersteld, over hoe deze belastingmaatregel een moeilijk te verantwoorden ongelijkheid creëert tussen huizenbezitters en mensen die huren. De opvatting dat het anders moet, en dat deze huizensubsidie eigenlijk gewoon van tafel moet, begint dan ook steeds breder te leven. Zelfs het CDA was bij de laatste verkiezingen eindelijk om.
Je zou zeggen dat het dan ook niet meer beargumenteerd hoeft te worden dat deze subsidie gewoon afgeschaft moet worden, maar toch is er politiek nog niet voldoende draagvlak om de aftrek in de prullenbak te gooien; zelfs niet nadat Trouw enkele weken geleden nogmaals liet zien dat Nederland het enige land in Europa is met een negatieve belasting op vermogensinkomen als gevolg van de hypotheekrenteaftrek.
Nu was ik dan ook niet van plan om nogmaals de hele case te maken voor het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek. In deze post wil ik slechts één klein deelaspect eruit lichten, een aspect waarvan ik toch meen dat iedereen het erover eens zou zijn dat hier een grote onrechtmatigheid zit, zelfs diegenen die ondanks alle verstandige argumenten nog steeds tegen het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek zijn.
Het gaat om het feit dat de hypotheekrenteaftrek een directe doorwerking heeft in de kinderopvangtoeslag. Kort gezegd: gezinnen met een koophuis krijgen meer kinderopvangtoeslag dan gezinnen met een huurhuis. Wellicht zijn veel mensen zich daar al heel sterk van bewust, maar ik heb toch de indruk dat hier maar weinig aandacht voor is in de discussie rond de hypotheekrenteaftrek, en daarom wilde ik in dit hoekje van het internet het probleem weer even onder het voetlicht brengen.
Het gaat om het toetsingsinkomen
Hoe zit dat? Het is vrij eenvoudig. Door de rente op een hypotheek af te trekken van het jaarlijkse inkomen wordt iemands toetsingsinkomen bij de Belastingdienst verlaagd, en dat is het bedrag waarover de kinderopvangtoeslag wordt vastgesteld. Huurders kunnen hun maandelijkse huur daarentegen nergens van aftrekken, want volgens de fiscus is huur een privé-uitgave, vergelijkbaar met boodschappen en dus geen aftrekpost.
Laten we het voorbeeld nemen van twee vergelijkbare gezinnen met een vergelijkbaar gezamenlijk jaarinkomen van €70.000, met één kind dat vier dagen per week naar dezelfde opvang gaat (kinderdagverblijf Het aftrekpostje) en woonlasten heeft van €15.000 per jaar, oftewel €1.250 per maand. Het enige verschil tussen deze twee gezinnen is dat het ene gezin die woonlasten uitgeeft aan huur voor een woning, terwijl het andere gezin dat kwijt is aan de rente op hypotheek voor hun koopwoning van €350.000 (het aflossingsgedeelte blijft buiten beschouwing want dat wordt gezien als vermogensopbouw).
Bij het hurende gezin verandert er niets aan het toetsingsinkomen, dat blijft op €70.000. Bij de kopers verandert dit wel, zij mogen die €15.000 aan hypotheekrente van het verzamelinkomen aftrekken, waarna €55.000 overblijft. Daartegenover staat nog wel het eigenwoningforfait van 0,35%. Bij een WOZ-waarde van €350.000 betekent dit dat er €1.225 bij het inkomen wordt opgeteld. Het resultaat is een toetsingsinkomen van €56.225.
Dat is dus een vrij groot verschil tussen de huurders en de kopers. Het gezin dat huurt valt daarmee meteen in een hogere inkomensschijf en krijgt 71,9% van de opvangkosten vergoed, terwijl het gezin met het koophuis 79,8% voor de kinderopvang krijgt.
Wat betekent dat in euro’s?
Deze berekening heb ik niet zelf gemaakt, maar komt uit een artikel van Coebergh en Appelman in het Weekblad Fiscaal Recht van 2022. Zij stelden dat bij opvangkosten van €17.680 per jaar dat een verschil oplevert van €1.397. Dit komt neer op zo’n €116 per maand dat het kopende gezin meer ontvangt dan het hurende gezin, terwijl ze precies hetzelfde salaris hebben en hun kind naar dezelfde opvang gaat. Coebergh en Appelman betogen daarbij ook nog dat dit een bescheiden voorbeeld is. Hoe hoger de hypotheek, hoe verder het uit elkaar loopt.
Inmiddels wordt de hypotheekrenteaftrek al enkele jaren aangepast, maar juist op dit vlak verandert er niets. De afbouw gebeurt namelijk via een tariefaanpassing: huizenbezitters mogen nog steeds het volledige rentebedrag aftrekken, alleen tegen een lager tarief dan vroeger. Dat betekent dat het effect op het toetsingsinkomen volledig hetzelfde is gebleven, ondanks de wijzigingen die zijn doorgevoerd.1
Nu wil ik zeker niet claimen dat ik de eerste ben die dit opmerkt, het bovenstaande artikel leidde immers vrij snel al tot een kamervraag van het Groenlinks kamerlid Senna Maatoug. Maar na de beantwoording van die vraag is het toch ook weer opvallend stil gebleven.
In de beantwoording betwistte minister Van Gennip destijds overigens op geen enkele manier dat dit verschil bestond tussen kopers en huurders, in feite onderschreef ze gewoon de conclusie in het artikel. Met wat omslachtige redeneringen probeerde ze echter wel te weerleggen dat dit ook echt een onrechtvaardigheid betekende.
Zo gaat de minister in de beantwoording vrij uitvoerig in op het eigenwoningforfait en dat kopers ook een bepaald nadeel hebben, omdat het forfait hun verzamelinkomen verhoogt. Maar als je het eigenwoningforfait tegenover de hypotheekrente afzet, dan valt dat nadeel van die 0,35% van de WOZ-waarde natuurlijk in het niet tegenover een rente van rond de 4%, en dus een negatief inkomen van duizenden euro’s voor kopers.2 Dat is in feite precies het punt dat in het Trouw-artikel van enkele weken geleden werd gemaakt
De belofte voor 2027, maar nu in de ijskast
Naast de wat omslachtige beantwoording over of het nou wel of niet een onrechtvaardige uitkomst was dat huizenbezitters meer kinderopvangtoeslag krijgen dan huurders, was het volgens de minister vooral een gepasseerd station: er was immers al lang een oplossing! Het probleem verdween vanzelf omdat de kinderopvangtoeslag toch tot het verleden behoorde. De financiering van kinderopvang werd immers inkomensonafhankelijk, zoals de coalitiepartners in Rutte IV in het regeerakkoord hadden afgesproken. Daarin stond dat vanaf 2027 (komend jaar dus) zou kinderopvang voor alle werkende ouders voor 96% vergoed worden.
Die plannen staan echter al een tijdje in de ijskast. Het kabinet-Schoof schoof het al een paar jaar op de lange baan, en bij Jetten I is volstrekt onduidelijk wat het plan nu is met de kinderopvangtoeslag. Los van de discussie of (bijna) volledige financiering van de kinderopvang wenselijk is: zolang er niets verandert aan ofwel de hypotheekrenteaftrek, ofwel het toeslagenstelsel, blijft deze ongelijkheid gewoon bestaan. En dat lijkt me een urgente reden om op minstens een van beide dossiers eindelijk een knoop door te hakken. De ongelijke positie tussen kopers en huurders werkt namelijk op veel meer terreinen door dan je in eerste instantie misschien denkt.
Appelman en Coebergh maken overigens ook nog een punt over hoe complex het is voor mensen om te achterhalen over welk bedrag je toeslag wordt berekend: het staat verspreid over zes wetsartikelen in vier verschillende wetten
Interessant genoeg is het eigenwoningforfait sindsdien zelfs nog verder gedaald in plaats van gestegen: van 0,45% in de tijd van het artikel van Appelman en Coebergh naar 0,35% nu. Die verlaging is overigens wel bedoeld als compensatie voor de gestegen WOZ-waarden, dus in euro’s hoeft dat niet per definitie een groot effect op te leveren.


