Laat het vakantiegeld met rust!
De undercovereconoom wil een debat dat er niet is
Mei is de maand van het vakantiegeld. Ik las het stuk van Jona van Loenen (de undercovereconoom) hier op Substack, waarin hij pleit voor het afschaffen van het vakantiegeld, en heb daar het nodige tegen in te brengen.
Rellen in Amsterdam
In juni 1966 braken in Amsterdam misschien wel de zwaarste rellen uit die Nederland na de Tweede Wereldoorlog had gezien. De aanleiding was een conflict over vakantiegeld. Bouwvakkers die niet bij een erkende vakbond waren aangesloten – en dat was in Amsterdam een grote groep – zagen twee procent van hun vakantiegeld ingehouden worden wegens de hogere administratiekosten die voor hen golden. Het leidde tot grote woede.
Er volgden grote protestbijeenkomsten, en tijdens een van die protesten overleed een metselaar aan een hartaanval. De Telegraaf beweerde de volgende ochtend dat hij door zijn mededemonstranten met een baksteen was geraakt. Een woedende menigte bouwvakkers trok daarop naar het Telegraafgebouw, en de rellen die volgden duurden nog dagen, waarbij het nodige in brand werd gestoken. De korting van twee procent werd uiteindelijk geschrapt.

Draagvlak genoeg
Het vakantiegeld heeft in het verleden kortom voor de nodige opschudding gezorgd.
Sinds 1968 hebben werknemers jaarlijks recht op vakantiegeld. Zoveel emoties als in de jaren ‘60 maakt het vakantiegeld nu niet meer los, maar het draagvlak voor vakantiegeld is wel ongekend hoog. Dat blijkt uit enquêtes die het Nibud jaarlijks hield tot 2019: 85% van de mensen die jaarlijks een extra uitbetaling krijgen in mei zijn daar tevreden mee.
Anders ligt dat bij de kleine groep werknemers die geen vakantiegeld ontvangt, maar in plaats daarvan maandelijks een kleine loonsverhoging heeft (een afspraak die in een cao kan worden vastgelegd). Van die groep is minder dan vier op de tien tevreden met die regeling. De helft zou het vakantiegeld gewoon weer liever in één keer ontvangen.1
Kortom, het lijkt erop dat Van Loenen met zijn pleidooi voor het afschaffen van het vakantiegeld vooral een debat wil creëren dat er niet is.
Het nieuwe normaal
Vooropgesteld, de ‘undercovereconoom’ heeft natuurlijk volledig gelijk dat het idee van vakantiegeld wat paternalistisch aandoet. Er zit een bepaalde gedachte achter dat mensen zelf niet in staat zijn om te sparen, en dat de werkgever dat maar voor ze moet regelen. Normaal gesproken ben ik ook niet zo’n liefhebber van paternalisme, maar in dit geval maak ik daar toch een uitzondering voor.
Want als je Van Loenens redenering serieus neemt, moet je ook nadenken over wat er gebeurt als je het vakantiegeld afschaft. Zijn argumentatie over de voordelen van een loonsverhoging het hele jaar door is erg kort door de bocht. Hij suggereert dat mensen dan minder schulden maken en betere financiële keuzes maken, maar de logica daarachter is wat vergezocht.
Als het vakantiegeld wordt afgeschaft, betekent dat op korte termijn een maandelijks extraatje voor mensen in loondienst. Maar dat gevoel beklijft niet lang. Al snel voelt het gewoon als loon. En zodra dat gebeurt, past het hele prijsmechanisme van de economie zich daarop aan: de prijzen in de supermarkt, de huren, de zorgkosten, noem maar op. Dat is simpele macro-economie.
Het psychologische effect pakt waarschijnlijk nog negatiever uit. Uit onderzoek blijkt dat mensen na een financiële meevaller qua geluksgevoel snel terugkeren naar een bepaalde basislijn. Dat kleine extraatje per maand wordt al gauw het nieuwe normaal, en de gevoelde winst verdampt. En dan ben je dus ook nog eens je jaarlijkse extraatje kwijt. Het resultaat van afschaffing is dan het slechtste van twee werelden.
Wat zegt het Nibud?
Het opmerkelijke is dat Van Loenen zijn argumentatie stoelt op bevindingen van het Nibud, terwijl die zijn punt helemaal niet onderschrijven. Uit de Nibud-vakantiegeldenquête blijkt dat het grootste deel van de mensen het geld nog steeds uitgeeft aan vakantie. De groep mensen die het aan iets anders besteedt groeit wel, maar daar lijkt me weinig mis mee. Paternalisme waren we op tegen toch?
Wat daarnaast uit het Nibud-onderzoek blijkt, is dat een groeiende groep mensen het vakantiegeld gebruikt om schulden af te lossen of betalingsachterstanden in te halen: in 2015 was dat 12%, in 2019 18%. Van Loenen concludeert daaruit opmerkelijk genoeg dat mensen meer schulden maken vanwege het vakantiegeld, maar dat stelt het Nibud nergens. Het Nibud stelt juist het tegenovergestelde, dat het vakantiegeld vaak juist schulden voorkomt:
…uit onderzoek van het Nibud blijkt dat veel Nederlanders vaak geen toereikende buffer hebben opgebouwd. Het vakantiegeld kan een mooie aanleiding zijn om deze buffer aan te vullen. Een buffer is belangrijk om onverwachte, grotere en noodzakelijke uitgaven op te kunnen vangen.
(Vakantiegeldenquête, 2019, p. 7)
Er is in Nederland geen enkel onderzoek dat aantoont dat mensen meer schulden maken of meer impulsaankopen doen vanwege het vakantiegeld. En wat is er overigens mis met een impulsaankoop als je die gewoon kunt betalen met je jaarlijkse extraatje?
Het Nibud is na 2019 gestopt met de vakantiegeldenquêtes, mede door de coronapandemie. Recentere data is er dus niet, maar het volgende citaat staat nog steeds op hun website:

Als je een pleidooi wilt houden tegen het vakantiegeld, moet je dus niet bij het Nibud zijn, die is er juist uiterst positief over. Een woordvoerder van het Nibud sprak zich op Radio 1 afgelopen week nog krachtig uit vóór het behoud van vakantiegeld.
Talloze studies?
Van Loenen stelt in zijn stuk verder dat er ‘talloze studies’ zijn die aantonen dat mensen betere keuzes maken wanneer ze gedurende het gehele jaar meer verdienen, dan wanneer ze in één keer een groot bedrag ontvangen. Ik zou graag willen weten welke studies dat zijn, want ik heb ze niet kunnen vinden.
Er zijn wel onderzoeken, bijvoorbeeld naar uitkeringen in de Verenigde Staten, die laten zien dat een regelmatige uitbetaling een positiever effect heeft op de bestaanszekerheid van mensen dan een uitkering in één keer, omdat dat laatste vaker snel wordt uitgegeven waardoor mensen te weinig overhouden om de rest van de periode te overbruggen.
Maar dat is moeilijk te vergelijken met het Nederlandse vakantiegeld. Dat komt immers bovenop een normaal salaris en is niet bedoeld voor het primaire levensonderhoud. Nederland is wat dat betreft ook vrij uniek, nauwelijks een ander land kent een vergelijkbare eenmalige uitbetaling in mei. Die context is belangrijk.
Bovendien wijzen andere studies juist de andere kant op. Wie vaker betaald wordt, voelt zich subjectief rijker en geeft daardoor juist meer uit, niet minder. In één onderzoek werden mensen die dagelijks uitbetaald werden vergeleken met mensen die wekelijks betaald kregen. Op maandbasis gaf de eerste groep gemiddeld zo’n twintig dollar meer uit, terwijl het totale inkomen van beide groepen precies hetzelfde was. De wetenschappelijke basis voor Van Loenens argumentatie is dus op zijn minst wankel.
Een herwaardering van seizoensmatigheid
Maar er zit ook een economische logica achter het vakantiegeld die vaak onbenoemd blijft. Het bundelt koopkracht op een moment waarop de economie, en zeker de toeristische sector, daar op is ingericht.
Daarachter schuilt een gedachte die misschien wat uit de mode is geraakt: dat een samenleving baat heeft bij gedeelde ritmes. Dat mensen collectief op vergelijkbare momenten vakantie vieren, collectief extra uitgeven, collectief uitrusten. De economie (vooral de toeristische sector, de detailhandel en de horeca) was daar in grote lijnen op afgesteld.
Een pleidooi om het vakantiegeld af te schaffen past in de trend om al die seizoensmatigheid in de economie uit te willen bannen. Aardbeien en meloenen zijn inmiddels het hele jaar door verkrijgbaar in de supermarkt, en de Efteling is tegenwoordig ook in februari open, maar het idee dat we alle seizoensmatigheid uit het economisch leven kunnen wegrationaliseren is utopisch.
Voor veel werkende mensen geldt nog altijd dat ze gebonden zijn aan schoolvakanties, en de toeristische sector rekent nog steeds met hoog- en laagseizoen. Het vakantiegeld past in die cyclus.
Afschaffen betekent die cyclus verstoren en die bundeling van koopkracht verdwijnt dan ook. Vooral kleine ondernemers in de horeca en de toeristische sector zijn afhankelijk van die piek. Het zijn niet de grootverdieners die de gevolgen van het wegvallen van die gebundelde koopkracht als eerste zullen voelen.
Nederland is binnen de EU het land met de hoogste toeristische participatiegraad: meer dan 83% van de bevolking maakt jaarlijks minstens één toeristische reis. Of het vakantiegeld daar een causale rol in speelt valt niet hard te maken, maar het is geen onredelijke gedachte dat een jaarlijkse geoormerkte uitkering het makkelijker maakt om die stap te zetten, zeker voor mensen met een smaller budget.
Terug naar de vakantiebonnen
Het beste argument tegen het vakantiegeld is wat mij betreft een heel ander dan dat Van Loenen maakt. Het vakantiegeld creëert een tweedeling, want alleen mensen in loondienst hebben er recht op. Zzp’ers hebben er geen recht op, en die groep groeit zoals we weten (pakketbezorgers, schoonmakers, thuiszorgmedewerkers, vaak mensen in sectoren waar de positie van werknemers toch al onder druk staat.)
Maar wat ik merkwaardig vind aan mensen die dit argument maken, is dat ze de tweedeling vervolgens gebruiken om te pleiten voor het afschaffen van een voordeel voor de groep die beter af is; omlaag nivelleren, kun je dat noemen. Terwijl ik eerder zou pleiten voor het omgekeerde: dezelfde voordelen ook mogelijk maken voor de groep die ze nu mist. Omhoog nivelleren dus.
De problematiek van zzp’ers is ook niet helemaal nieuw. Denk nog even terug aan de Telegraafrellen in 1966. Dat conflict ging over vakantiegeld, of eigenlijk, om nog specifieker te zijn: om de uitbetaling van vakantiebonnen. Maar wat zijn vakantiebonnen eigenlijk?
Vakantiebonnen ontstonden in een tijd dat veel bouwvakkers van werkgever naar werkgever trokken en nergens lang genoeg in dienst waren om vakantierechten op te bouwen. In de jaren ‘20 bedacht men daar het systeem van vakantiebonnen op (of oorspronkelijk eigenlijk vakantiezegels). Werkgevers kochten de bonnen in bij een sectoraal fonds en betaalden die uit als onderdeel van het loon. De werknemer kon deze vervolgens in juni verzilveren als vakantiegeld.
Dat systeem was allesbehalve perfect, het was gevoelig voor fraude en diefstal, en uiteindelijk is het grotendeels afgeschaft. Ik zou dan ook niet pleiten voor een terugkeer naar het systeem van vakantiebonnen, maar wellicht valt er wel inspiratie te halen uit het onderliggende idee: dat je ook voor mensen zonder vast dienstverband een manier kunt bedenken om vakantierechten op te bouwen. Met de administratieve middelen van nu moet dat toch beter te organiseren zijn dan met een stelsel van papieren zegels.

Het leven kent al genoeg tegenvallers
Al met al is het beste argument voor het vakantiegeld dat mensen die afhankelijk zijn van loonarbeid voor hun dagelijkse levensonderhoud (anders dan mensen die van kapitaalgroei leven) vooral financiële tegenvallers hebben in het leven. Een kapotte telefoon, een lekkend dak, een wortelkanaalbehandeling, remschijven die het begeven, een zieke hond die geopereerd moet worden, het eigen risico dat jaar na jaar wordt aangesproken (en in de toekomst alleen maar verder stijgt). Ga zo maar door.
Die tegenvallers vallen niet te elimineren.
Moet je dan ook nog die ene financiële meevaller van het jaar willen afschaffen?
P.s. de naam undercovereconoom vind ik geestig bedacht, maar wat zijn stukjes nu precies met undercoverwerk te maken hebben, begrijp ik niet zo goed. Lees daarom mijn stuk over het werk van een echte undercoverjournalist, M.J. Brusse, hier:
Bij werkgevers ligt dat wellicht anders, werkgevers zijn zelden enthousiast over dingen waar werknemers blij mee zijn, maar op dit thema valt het volgens mij wel mee. Ik ben me niet bewust van enige serieuze lobby vanuit de werkgeversorganisaties om het vakantiegeld af te schaffen, en in de vele position papers en ‘regeldrukrapportages’ die in de beleidswereld circuleren ben ik het onderwerp zelden tegengekomen. De meeste werkgevers rekenen gewoon met een jaarlijkse loonsom, en het maakt weinig uit of ze wat meer in mei uitbetalen of gespreid door het jaar. Dat het bij sommige mkb’ers weleens tot cashflowproblemen leidt klopt, maar dat pleit eerder voor maandelijkse reservering dan voor afschaffing.


