Landhaaien en vrije mannen
Hoe een NRC-journalist in 1899 undercover ging in de havens, en wat dat opleverde
Op deze Dag van de Arbeid leek het me mooi om wat te schrijven over een stukje arbeiderswetgeving en de roerige aanloop ernaartoe, en wel de Stuwadoorswet van 1914.
De wat? De Stuwadoorswet.
Een stuwadoor was een ander woord voor iemand die laad- of loswerk deed in de havens. Je kunt ze ook havenarbeiders of bootwerkers noemen. In de literatuur wordt meestal die laatste term gebruikt.
De Stuwadoorswet regelde een aantal zaken. Werkgevers in de havens die gebruik maakten van los- en laadwerkers hadden voortaan een vergunning nodig, een ‘bewijs van toelating’. Dat gaf de overheid een stok achter de deur, want bij herhaalde overtredingen kon die vergunning ook weer worden ingetrokken. De bootwerkers zelf moesten een arbeidsboekje aanschaffen, waarin de arbeids- en rusttijden werden bijgehouden en waarop de inspectie kon controleren. Daarnaast werd het aannemen van personeel aan regels gebonden. Dat moest voortaan publiekelijk en op vaste plaatsen gebeuren, via een systeem van roulering zodat het werk eerlijker werd verdeeld.
Die laatste maatregel raakte aan een van de grootste misstanden in de havens. Het aannemen van bootwerkers gebeurde van oudsher in obscure cafés, waar tussenpersonen grote delen van de uitbetaalde voorschotten van de bootwerkers wisten af te troggelen. Ook de uitbetaling van de lonen zelf vond vaak plaats in dranklokalen, waar direct werd verwacht (of geëist) dat een flink deel van het verdiende loon over de toog ging.
Die schimmige praktijken hingen nauw samen met de aard van het havenwerk zelf. Het was bij uitstek onregelmatig werk. Op sommige dagen was er nauwelijks werk; maar zodra er een groot schip binnenkwam, was plotseling iedereen nodig en konden ploegen veertig uur of langer aan één stuk worden ingezet. Werktijden van 48 uur aaneengesloten waren niet uitzonderlijk rond 1900. Die extreme pieken en dalen maakten bootwerkers afhankelijk en kwetsbaar en daarmee eenvoudige slachtoffers van uitbuiting, zowel door werkgevers als door de tussenpersonen die het aanneemwerk deden.
Daar kwamen nog andere misstanden bovenop: abominabel slechte veiligheidsmaatregelen aan boord, en frauduleuze praktijken rond de weging van lading, want bootwerkers werden vaak per gewichtseenheid betaald, en de weging bleek nogal eens in het voordeel van de werkgever uit te vallen.
De undercoverjournalist
Bij de totstandkoming van dit soort wetten gaat het in de literatuur meestal over de rol van georganiseerde arbeiders of van politici, en die waren zeker van belang in deze geschiedenis, zoals de staking van 1900, die draaide om de afschaffing (of ten minste de beperking van) zondagsarbeid, want de bootwerkers meenden dat ze oneindig veel werden ingezet op zondagen.
Maar ik was geïnteresseerd in een andere rol, die van de journalist. De vraag op welke manier journalistiek iets in beweging kan zetten houdt me al langer bezig, en hoe de verhouding tussen journalistiek en toezicht zich door de tijd heeft ontwikkeld. Ook tegenwoordig verschijnen tal van reportages over uitbuiting en erbarmelijke werkomstandigheden, maar die worden vaak gelezen, men windt zich er kort over op en ze zakken weer weg.
Dus, ik licht eens een positief voorbeeld uit van journalistieke verhalen die tot ingrijpen leidden, in ieder geval indirect.
De undercovermethode bleek in dit verhaal bijzonder effectief.
Kortgeleden organiseerden we op het IISG een event waar Jeroen van Bergeijk te gast was, de bekendste hedendaagse beoefenaar van dit soort journalistiek. Hij solliciteerde bij Bol.com, Schiphol, een callcenter en een bedrijf dat content modereerde voor Google, wist overal binnen te komen en schreef over die werkplekken van binnenuit. Zijn verhalen zijn gebundeld in dit boek.
Van Bergeijk staat in een langere traditie, net als Investico-journalist Emiel Woutersen die misstanden naar buiten bracht over de behandeling van arbeidsmigranten op cruiseschepen. Deze onderzoeksjournalisten noemen zich allen schatplichtig aan Stella Braam, die in de jaren negentig undercover ging in verpleeghuizen en illegale naaiateliers in Amsterdam en daarover het boek De blinde vlek van Nederland schreef. Braam zelf verwees als inspiratiebron weer naar Günter Wallraff, die in 1985 met Ganz Unten (in het Nederlands Ik, Ali) als Turkse gastarbeider de uitbuiting van deze groep in de Duitse bouwsector succesvol aankaartte.
Vrijwel alle genoemde auteurs noemen Wallraff als de oervader van de undercoverjournalistiek. Maar in Nederland gaat die traditie toch echt veel verder terug. Bijna een eeuw eerder, naar een journalist die in 1899 een schippersbaard liet verven en ‘op z’n hoog-Haarlemmerdijksch’ leerde praten: Marie Joseph Brusse.
Een rapport in een la
Marie Joseph Brusse (Rie voor intimi) was in de jaren negentig nog een beginnende journalist. Hij werkte anderhalf jaar voor De Telegraaf, waar hij veel leerde van Herman Heijermans jr., en stapte in 1894 over naar de Nieuwe Rotterdamsche Courant, de NRC. Hij deed in die jaren verslag van van alles en nog wat; sportwedstrijden, feesten en jubilea, maar ook van stakingen. Maar hij was ook geïnspireerd door het meer duistere onderzoekswerk van buitenlandse journalisten, zoals dat van de Brit William Thomas Stead, die in 1885 opzien baarde door te schrijven hoe hij een dertienjarig meisje voor vijf pond wist te kopen van haar moeder. En van het werk van de Amerikaanse Nellie Bly, die zich in 1887 in een psychiatrische inrichting liet opnemen om over de behandeling van de patiënten aldaar te schrijven.
Toen Brusse zijn onderzoek naar de toestanden in de havens begon waren de feiten eigenlijk al bekend. De aanleiding van zijn reportages was een rapport van de Rotterdamse Kamer van Koophandel uit 1894 over de werving van zeelui. Het rapport concludeerde dat zeemannen systematisch werden uitgebuit, opgelicht en in erbarmelijke omstandigheden werden tewerkgesteld. Alleen, ook hier gold, ‘geen mensch’ in Rotterdam had openlijk actie ondernomen, zoals Brusse zelf later schreef. Het rapport verdween in een lade.
In 1899 besloot Brusse de methode van de genoemde undercoverjournalisten (Stead en Bly) zelf toe te passen. Want hij wilde weten hoe het leven van de zeelui was tussen het afmonsteren (het verlaten van een schip) en het opnieuw aanmonsteren (weer betreden van dienst ), dus in de periode dat de zeemannen zonder werk aan land verbleven. Dat deed hij onder het motto:
Je ziet er pas iets van als je er verkeert, en je kunt er alleen maar verkeeren als je zelf zeeman bent.
De vermomming
Niemand mocht weten waar hij mee bezig was, dus Brusse moest zelf zijn vermomming bij elkaar zoeken. Bij een kledingzaak koos hij een pet met ‘blauw lakensch klep’, een blauw-paarse zijden halsdoek met groene en rode strepen, en een blauw pak met wijde broekspijpen. De kleuren waren het allerbelangrijkst; want aan de kleuren herkende men wat voor type zeeman je was. Een kapper schoor hem een schippersbaard en verfde wat ervan overbleef zwart, met merkbare tegenzin: het druiste in alles in tegen zijn ‘kunstgevoel als modern coiffeur’.
Zijn pince-nez ruilde Brusse in voor een eenvoudige bril met zware blauwe lijsten, en ‘geweldige hengsels om de oren’. Toon, een zeeman die hem op de tocht zou begeleiden, leerde hem zijn pet op de juiste manier te dragen, te praten ‘op z’n hoog-Haarlemmerdijksch’ en zijn das te knopen. Brusse ging op pad als Jaap Harms, steward.
Een sjans
Om de misstanden goed te kunnen onderzoeken, moesten ze naar een plek waar op dat moment werk (een sjans) beschikbaar was. Antwerpen was daarom de beste startplaats om het huurbazen-systeem en de werving van zeelieden daadwerkelijk in actie te zien. Hij ervoer de behandeling direct aan den lijve. Op aanraden van een slaapbaas trok hij meteen langs acht kroegen, waar hij in elke kroeg moest trakteren. In anderhalf uur was hij ruim tien frank lichter aan drank. Brusse was terecht gekomen in een spel van slaapbazen, die de zeelui een onderkomen verhuurden, en huurbazen (shippingmasters), die werk op schepen toewezen. De huurbazen hielden bijna allemaal zelf een kroeg. Wie het vaakst kwam en het meest dronk, kreeg het eerst een schip. Toon noemde het ‘één aaneengesloten bende’.
“ De slaap- en de huurbazen vormen één aaneengesloten bende, die ’t gemunt heeft eerst op ’t afmonstergeld, daarna op ’t voorschot van de zeelui. Ook bijna alle shippingmasters houden een estaminet. Wie daar ’t vaakst komt, ’t meest drinkt, krijgt, als z’n hard verdiend loon op is, ’t eerst een schip. En de slaapbaas, die er belang bij heeft de huurbazen te vriend te houden, slooft zich uit zooveel hij kan, om telkens zélf de nieuwe klanten te introduceeren “
In Amsterdam, waar hij vervolgens naartoe trok, waren de toestanden iets minder ernstig. Daar waren veldwachters actief en een sterk aanwezige zeemansbond. Toch trokken ook hier de huurbazen algauw dertig à veertig procent van de ‘noot’ af (het voorschot dat de zeeman bij het aanmonsteren ontving). Brusse hoorde zelfs het verhaal van een jonge matroos die een noot van twaalf gulden ontving waarvan maar drie gulden overbleef, een aftrek van vijfenzeventig (!) procent.
“ In elke kroeg ook zaten de zeelui te drinken en te wachten tot de baas thuis zou komen, die hun na aftrek van een flinke belooning, weer aan vaart moest helpen... En de dikke madam in ’t buffet schenkt maar in als ’t haar goed dunkt, hooghartig de glazen met drank aan de mannen toeduwend, ze afsnauwend vaak, overtuigd dat haar man toch hun voorzienigheid is, van wien zij absoluut afhankelijk zijn “
In Rotterdam was het ergste te zien. De huurbazen en hun runners liepen ongestoord het Zeemanshuis in en uit, en sloegen daar hun slag. Brusse hoorde van een Deense stoker wiens hele noot opging aan logiesgeld; hij hield zelfs een schuld van twaalf gulden bij de slaapbaas over. De kosthuizen waren vies en onhygiënisch, met bedwantsen en vuil beddengoed en alles. Vanuit hun ‘roofvogelnest’ regeerden in Rotterdam de ‘landhaaien’, zoals ze genoemd werden.
Het systeem, zoals dat in alle drie de havens werkte, draaide om de uitbetaling van lonen en voorschotten in dranklokalen. De huurbaas had er belang bij dat de zeeman veel dronk; de slaapbaas leverde de klanten aan; de zeeman die niet meedronk, kreeg geen sjans.
“ Ik was nu wel erg dankbaar, dat ik niet werkelijk een schip moest zoeken. Want niets is demoraliseerender, niets maakt loomer en matter en willoozer, dan van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de eene herberg uit, de andere in te moeten gaan, altijd onder den invloed van alcohol “
De bevrijding van de huurbazen
De feuilletons die Brusse schreef in NRC werden in 1899 gebundeld in het boek Van af- tot aanmonsteren: het leven van den zeeman aan den wal. Als snel daarna werd actie ondernomen. Want, let op: Brusse schreef voor het liberale NRC, de krant die juist ook door de havenbonzen werd gelezen.
De Rotterdamse reders richtten kort daarna een centraal kantoor op voor de aanwerving van schepelingen, waardoor zeelui niet langer hoefden te bedelen, dranktochten af te leggen of zich door shippingmasters te laten afzetten. Ze werden voortaan aangenomen als ‘vrije mannen’, tegen het volledige afgesproken loon, zonder kortingen of inhoudingen. In 1911 constateerde Brusse, in een herdruk van het boek, met tevredenheid dat de uitbuiting bij het aanmonsteren grotendeels tot een ‘donker verleden’ behoorde.
Over Antwerpen was hij overigens minder tevreden, daar was de situatie ‘nog vrijwel bestendigd’, en, overigens, ook bij het aanmonsteren voor buitenlandse boten in Nederland bestond nog ‘allerlei ongerechtigheid’. Maar toch: het aanwerven was in Rotterdam hervormd; maar nog niet de omstandigheden aan wal.
De strijd om het toezicht
Brusses beschrijvingen gingen dus vooral over de zeemannen op de schepen, maar hij had ook oog voor de havenwerkers die hielpen bij het laden en lossen. Daar was vergelijkbare ellende van het uitbetalen in kroegen en de afhankelijkheid van tussenpersonen. Maar zijn beschrijvingen werden niet alleen opgepikt door de Rotterdamse reders. Ook iemand anders die in de juiste positie zat om er iets aan te doen.
Hendrik van IJsselsteyn, een gemeenteambtenaar in Rotterdam, werd in 1899, hetzelfde jaar als waarin Brusse zijn feuilletons publiceerde, plaatsvervangend directeur van de gemeentewerken, met de havenwerken als zijn dossier. Hij speelde een belangrijke rol in de uitbreiding van de Rotterdamse haven in die periode, en ook hij las het werk van Brusse. In 1900 verscheen van zijn hand een boek over de haven van Rotterdam, waarin hij verwees naar de feuilletons van Brusse. De reportage was daarmee in een ambtelijk en bestuurlijk circuit terechtgekomen.
In de jaren daarna namen de spanningen in de Rotterdamse haven verder toe. In 1905 verscheen het pamflet Een Noodkreet der Rotterdamsche Havenarbeiders, opgesteld door de lokale bonden in de Rotterdamse haven. Het beschreef de onderbetaling, de ontbrekende veiligheidsvoorschriften, de buitensporig lange werktijden en de schimmige uitbetaling in kroegen, hetzelfde als wat Brusse bij de zeelui had aangetroffen, maar ditmaal toegepast op de bootwerkers die schepen losten en laadden. Bootwerkers werden in lokale kroegen geworven, werkten elke dag voor een andere tussenpersoon, en wachtten in de kroeg af of iemand hen voor een klus zou vragen.
Niet lang daarna, in 1908 werd Van IJsselsteyn, door de toenmalige minister gevraagd om de eerste directeur-generaal van den Arbeid te worden, het hoofd van de Arbeidsinspectie. Een van de eerste dossiers die Van IJsselsteyn onder zich kreeg, was de bescherming van de bootwerkers, een onderwerp dat hij vanuit Rotterdam tot in detail kende.
Ook met de veiligheid was het slecht gesteld. Het aantal arbeidsongevallen in de Rotterdamse haven was zo groot (in 1907 alleen al ruim 4100, ruwweg bij een op de twee schepen) dat de Rijksverzekeringsbank de havenbedrijven in een ongekend hoge premieklasse besloot in te delen. Als werkgevers niet overtuigd konden worden via een moreel appel om de omstandigheden te verbeteren, konden ze misschien geraakt worden in de portemonnee.
De Rotterdamse Kamer van Koophandel stond er wat dubbel in. Ze erkende dat de omstandigheden in het havenbedrijf ‘exceptioneel’ slecht waren, maar tegelijkertijd stuurden werkgevers herhaaldelijk adressen naar de Tweede Kamer waarin ze zich uitspraken tegen overheidsingrijpen.
In 1909 was er een poging gedaan om er met een collectieve arbeidsovereenkomst uit te komen. Die bevatte concrete afspraken, zoals twaalf gulden extra loon per man voor zondagswerk – een fors bedrag, bedoeld om werkgevers ervan te weerhouden arbeiders onnodig op zondag in te zetten. Maar de cao hield slechts een jaar stand, want niet alle werkgevers hielden zich eraan. Dit was nog ver voordat cao’s algemeen verbindend konden worden verklaard, die wet kwam er pas in 1937, en dit voorval laat goed zien waarom die nodig was.
Een wet invoeren was dus de enige uitweg, maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Bootwerkers werkten voor wisselende, vaak buitenlandse schepen die maar kort in Nederland verbleven. Die buitenlandse kapiteins aansprakelijk stellen bleek onbegonnen werk. De Stuwadoorswet van 1914 loste dat op door te bepalen dat schepen alleen gelost mochten worden door bootwerkers die in dienst waren van een gespecialiseerde havenonderneming. De bootwerker, voorzien van een arbeidskaart als bewijs van die arbeidsrelatie, had zo voor het eerst een positie op basis waarvan hij zijn rechten kon opeisen.

Maar rechten op papier zijn pas iets waard als er iemand op toeziet dat ze ook worden nageleefd. De twee Rotterdamse controleurs die in 1905 als ad-hoconderzoekers waren aangesteld, groeiden in deze periode uit tot de zelfstandige Inspectie van de Havenarbeid, die zich daarna uitbreidde naar alle Nederlandse havens. In korte tijd waren twee mannen die door de burgemeester waren aangewezen om de kades en de lonen te controleren uitgegroeid tot een landelijke dienst met wettelijke bevoegdheden.
Een ontwikkeling die waarschijnlijk niet op dit tempo had plaatsgevonden als Brusse zijn feuilletons niet had geschreven en ze niet waren opgepikt door de mensen op de belangrijke posities.
De tweedeling
Uiteraard was de Stuwadoorswet geen eindpunt. De haven bleef altijd het zorgenkindje van het toezicht op de arbeidsomstandigheden. Maar de situatie voor 1914 deed op veel manieren denken aan hedendaagse discussies rond zzp’ers. Ook in de havens van begin twintigste eeuw bestond een scherpe tweedeling. Een kleine groep bootwerkers verdiende goed, en die lonen werden door de buitenwereld vaak gezien als de bootwerkerslonen, terwijl de grote massa voor zwaar en onregelmatig werk juist veel minder geld ontving.
Wie in de eerste ploeg zat, deed het prima; de rest vormde in sociaal-economisch opzicht de onderste laag van de stedelijke bevolking. Die kloof had ook directe gevolgen voor de veiligheid. Juist de mensen in de meest precaire positie, die dagelijks opnieuw geworven werden zonder vaste relatie met een werkgever, liepen het grootste risico.
Het is een patroon dat ook zichtbaar is in de reportages van Van Bergeijk: een vaste kern met goede arbeidsvoorwaarden, en daaromheen een flexibele schil die de pieken opvangt en de risico’s draagt. Daarmee wil ik maar zeggen: de veiligheid en de arbeidsrelatie zijn altijd met elkaar verweven. Schijnzelfstandigheid en veiligheid verdragen elkaar slecht. Wie geen vaste plek heeft, kan zich geen klachten permitteren.
Daarin komt zelden vanzelf verandering. Zowel kritische journalisten als inspecteurs die hun rapporten niet in een la laten verdwijnen zijn nodig. En ze hebben elkaar wellicht meer nodig dan ze denken.
Anders interessants
Voor het tijdschrift Demos van het NIDI (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut) schreef ik een kort artikeltje over een grafiek die conservatief Nederland in de jaren ‘50 de stuipen op het lijf joeg.
IISG-collega Lucas Poy schrijft ook op Substack, vooral over de invloed van AI op de geschiedwetenschap en het universitair onderwijs. Zijn laatste stuk kan ik van harte aanbevelen.





