Ondertussen bij de buren
De zieke man van Europa pakt de zieke man (en vrouw) aan
In Nederland gaat een golf van protesten door het land vanwege de plannen van dit kabinet om op de sociale zekerheid te bezuinigen. Terecht, aangezien er weinig redenen zijn voor de bezuinigingen en het een ordinaire zoektocht naar geld is.
Ondertussen meent men in Duitsland dat er ook het nodige moet veranderen aan de economie en de arbeidsmarkt, en presenteerde de huidige regering van CDU/CSU en SPD gisteren een groot hervormingspakket. Een paar kranten hebben er wat aandacht aan besteed, wat artikeltjes in Volkskrant, NRC en Telegraaf die interessant genoeg allemaal wat anders uitlichten: de een de belastingverlaging, de ander de flexibilisering van de arbeidsmarkt, een ander de pensioenleeftijd. NOS-correspondent Charlotte Waaijers gaf een gedegen overzicht van de maatregelen, waarin ze vooral de maatregelen rond de ziektewet benadrukt.
Ik wilde niet achterblijven vanwege mijn interesse in de Duitse en Nederlandse arbeidsmarkt en de vergelijkingen tussen de beiden, en heb daarom, enigszins haastig, geprobeerd het pakket van de nodige duiding en achtergrond te voorzien. Daarom deze bijdrage.
Allereerst: waarom was dit nodig?
Al enkele maanden verschijnen er kritische berichten over de staat van de Duitse economie. In verschillende opiniestukken vroegen mensen zich af of Duitsland opnieuw de ‘zieke man van Europa’ is geworden, een etiket dat het land begin jaren nul ook al opgeplakt kreeg.
Een paar gegevens om dat te illustreren. De economie groeide sinds 2018 nauwelijks: waar de eurozone gemiddeld zo’n 1,3 procent per jaar groeide en de VS zelfs 2,3 procent, bleef Duitsland steken op gemiddeld 0,2 procent per jaar. En in 2023 en 2024 kromp de economie zelfs twee jaar op rij. De industrie verliest daarnaast maandelijks gemiddeld 15.000 banen, en de werkloosheid overschreed vorig jaar voor het eerst weer de symbolische grens van drie miljoen (al is die inmiddels ook weer onder de drie miljoen gezakt).
Mensen wijzen er ook op dat nergens in de OECD de belasting- en premiedruk op arbeid zo zwaar drukt als in Duitsland, op één land na: België (52,5 procent tegenover 49,3 procent voor Duitsland). Tegelijkertijd werkt de gemiddelde Duitser 15 procent minder uren per jaar dan het EU-gemiddelde. En de vergrijzing maakt alles nog wat urgenter, de totale sociale premies kunnen volgens het iges-instituut van circa 43 procent naar mogelijk 50 procent stijgen in 2035.
Kortom: het hervormingspakket van Merz en de SPD komt niet uit de lucht vallen. Er was een gevoel van urgentie dat de economie een impuls nodig had, en de arbeidsmarkt in het bijzonder.
De arbeidsmarkt: meer flexibiliteit, maar voor wie?
De maatregel waar de meeste Duitse media over schrijven is de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Duitse werkgeversorganisaties willen al jaren af van de in hun ogen starre regels, en die wens is door Merz en consorten nu deels gehonoreerd. Zo worden de openingstijden van winkels iets verruimd: bakkerijen, banketbakkerijen en –(enigszins verrassend) bibliotheken mogen voortaan ook op zondag open. Maar het grotere punt zijn de tijdelijke contracten. Die mogen nu vier jaar duren in plaats van twee, en het maximale aantal verlengingen wordt verhoogd van drie naar zes.
Merz presenteerde dit als een maatregel ‘voor jonge bedrijven, start-ups en bedrijven die willen uitbreiden’, maar dat is een wat merkwaardige uitleg, want nieuwe bedrijven mogen mensen al tot vier jaar tijdelijk aanstellen, en er bestaan al uitzonderingen voor oudere werklozen via cao-afspraken.
Critici van dit plan stellen dan ook dat bedrijven nu nog sterker risico’s kunnen afwentelen op de werknemers. Er komt veel meer onzekerheid in de levens van een grote groep mensen. Het wordt veel moeilijker een hypotheek te regelen of kinderopvang.
(Interessant in het licht van de demografische problematiek die men ook in Duitsland breed signaleert, is dat Nederlands onderzoek aantoont dat jongvolwassenen het krijgen van kinderen vaak uitstellen totdat ze een vast contract hebben. Als je de tijdelijkheid op de arbeidsmarkt vergroot, zullen veel mensen dus waarschijnlijk het ouderschap uitstellen, wat in een sterk vergrijzend land als Duitsland niet echt een wenselijke bijwerking is).
Vakbond Ver.di heeft de plannen als sterk bekritiseerd en spreekt van een ‘Befristungswahnsinn'. Het effect zal waarschijnlijk niet zijn dat er meer mensen aan het werk gaan, maar dat bestaande onzekerheid zich verder verspreidt. Uit onderzoek van de Hans Böckler Stiftung blijkt dat tijdelijke contracten nu al sterk geconcentreerd zijn bij groepen die toch al kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt: jongeren onder de 25, mensen zonder beroepsopleiding en mensen met een buitenlandse achtergrond krijgen bij nieuwe aanstellingen in bijna de helft van de gevallen een tijdelijk contract. Buitenlandse vrouwen spannen daarbij de kroon: van hen krijgt bijna 50 procent bij indiensttreding geen vast contract.
Al met al is het vooral een beweging van meer flex, minder vast. Het pakket wordt gepresenteerd als allerlei afzonderlijke maatregelen, maar samen schetsen ze vooral het beeld dat de vaste baan steeds minder de norm moet worden en meer een privilege wordt voor een steeds kleinere groep mensen.
De ziekmelding: Merz’ persoonlijke kruistocht
De meer bevreemdende maatregel, vooral vanuit Nederlands perspectief, is de ingreep in de Duitse ziektewet. Vanaf nu moet iedere werknemer op de eerste dag van ziekte al een doktersverklaring van een huisarts kunnen overleggen, en die mag niet telefonisch worden afgegeven, maar moet in persoon bij de arts worden opgehaald.
Dat vergt wat uitleg, want er zijn best wat verschillen tussen Nederland en Duitsland op dit vlak. In Nederland meld je je ziek bij je werkgever, en pas als het langer dan een week duurt speelt de bedrijfsarts of arbodienst een rol. In Duitsland gaan ziekmeldingen altijd via de huisarts: uiterlijk op de vierde dag van je ziekte moet je een attest van de huisarts kunnen overleggen.
Merz wil dat attest nu al op dag één verplicht stellen. Dus, stel je even voor: je wordt wakker met een forse buikgriep, je hebt iets verkeerds gegeten de avond ervoor, en diezelfde dag nog moet je naar de huisarts, in de wachtkamer gaan zitten wachten, om een bevestiging te krijgen dat je echt ziek bent.
En ja: je moet er inderdaad echt heen, want wat Merz ook afschaft is de mogelijkheid om dat attest telefonisch te regelen. Die optie was tijdens de coronapandemie ingevoerd om te voorkomen dat zieke mensen in volle wachtkamers elkaar zouden aansteken. Dat was aanvankelijk een tijdelijke maatregel, maar minister Lauterbach besloot het daarna te behouden, omdat het huisartsen aanzienlijk ontlastte.
Nu heeft Merz toch zijn pijlen gericht op dat telefonische attest. Er is alleen weinig aanleiding om te denken dat de telefonische ziekmelding een wezenlijke bijdrage levert aan het opgelopen ziekteverzuim. Het Statistische Bundesamt (het Duitse CBS) stelt dat het oplopende ziekteverzuim helemaal niet bestaat, maar een effect is van een nieuwe manier van registreren, maar bij zijn aantreden liet Merz al duidelijk weten dat dit een groot probleem was voor hem.
Deze maatregelen vallen met een woord samen te vatten: wantrouwen. De drempel om je ziek te melden was volgens Merz kennelijk te laag, en zijn vermoeden is dat mensen die drempel lukraak misbruikten en valse ziekmeldingen deden.
De belastinghervorming
Mocht je je inmiddels afvragen waar de SPD in dit alles zit? Volgens partijleider Klingbeil zit het sociaaldemocratische geluid vooral in de belastinghervorming.
Die hervorming komt er in grote lijnen op neer dat de belastingdruk voor de meeste mensen omlaag gaat: de belastingvrije voet gaat omhoog, de kinderbijslag en kindervrijstelling worden verhoogd, en mensen met een middeninkomen komen minder snel in een hoger tarief terecht. Aan de bovenkant gaan topinkomens iets meer betalen. De zogenoemde Reichensteuer wordt in tweeën gesplitst: het tarief wordt 45 procent vanaf €250.000 en 47 procent vanaf €280.000. Dat laatste is een langgekoesterde sociaaldemocratische wens waar de CDU/CSU in heeft moeten toestemmen. Opvallend genoeg introduceert dit een zesde belastingschijf in het Duitse stelsel, terwijl Nederland het al decennia met twee of drie doet.
De coalitie presenteert dit als een pakket dat gezinnen en middeninkomens ontlast, en dat klopt ten dele. Een werkend gezin met twee kinderen en een inkomen van €60.000 kan er in volle werking zo’n €600 per jaar op vooruitgaan.
Tegelijkertijd is het beeld voor de onderkant van de arbeidsmarkt minder rooskleurig. Wie onder de belastingvrije voet verdient, profiteert nergens van, terwijl diezelfde groep wel geconfronteerd wordt met stijgende premies voor zorg en pensioen (daarover zo meer). Kleinere maatregelen, zoals een hogere belasting op mini-jobs en een lagere aftrek voor zelfstandigen, raken bovendien juist mensen met lagere en middelmatige inkomens. Of het pakket per saldo een verbetering is, hangt dus sterk af van de persoonlijke situatie: voor gezinnen met kinderen en een modaal inkomen is er winst, maar voor wie aan de onderkant zit is de balans een stuk minder positief.
De pensioenen
De vaste volger van deze nieuwsbrief weet inmiddels dat de Duitse pensioenen een beetje een hobbybezigheid van mij zijn. Het pakket zegt alleen niets concreets over pensioenen, maar wat er staat over pensioenen is toch heel belangrijk. De regering kondigt namelijk aan dat het alle aanbevelingen van de Alterssicherungskommission in een wet om gaat zetten, zonder voorbehoud. Die aanbevelingen kwamen vorige week binnen.
De belangrijkste hervorming die in dit rapport was voorgesteld is de invoering van een verplicht individueel kapitaalfonds bovenop het omslagstelsel, dat is direct geïnspireerd op het Zweedse stelsel. Met een extra bijdrage van 2 procent bovenop de bestaande premies wordt voor iedere werknemer een persoonlijk pensioenpotje opgebouwd, het geld in die potjes wordt op de kapitaalmarkt belegd. Het doel is om op lange termijn de pensioenuitkeringen te verhogen, wat vooral voordelig is voor jongere generaties die lang genoeg kunnen inleggen om van het rente-op-rente-effect te profiteren.
Daarnaast gaat de pensioenleeftijd omhoog: na 2031 wordt die gekoppeld aan de levensverwachting, met elke tien jaar een stapje van een halfjaar. In 2041 is dat 67,5 jaar, in 2051 68 jaar. Overigens is dat nog een bescheiden verandering vergeleken met wat de Sachverständigenrat zur Begutachtung der gesamtwirtschaftlichen Entwicklung wilde. Dat is een belangrijk historisch gegroeid instituut in de Bondsrepubliek, de vijf ‘wijze economen’ die de regering gevraagd en ongevraagd adviseren. Zij pleitten voor een veel snellere oploop van de pensioenleeftijd, omdat zij berekenden dat de totale premielast zonder drastische ingrepen richting de 50 procent zou gaan in 2040.
Een andere maatregel in het vorige week gepresenteerde plan is dat een breder aantal mensen in het stelsel wordt opgenomen: zelfstandigen krijgen een verplichte bijdrage, en de circa 13 miljoen Duitsers in mini- en midijobs verliezen hun uitzonderingspositie. Zij gaan voortaan meebetalen aan het pensioenstelsel, wat concreet betekent dat ze netto minder per maand zullen overhouden, maar daar staat dan wel een (zeer bescheiden) pensioen tegenover.
Wat daarbij nog de moeite waard is te vermelden: binnen de Sachverständigenrat was er wel een dissenting opinion, van het lid Achim Truger. Hij onderschreef weliswaar dat de premielast richting 50 procent gaat in 2040, maar stelt daartegenover dat de economische schade daarvan veel bescheidener is dan de andere experts doen voorkomen. De economie groeit er iets minder snel door, maar dat effect is zo klein (slechts 0,5 à 0,9 procent minder bbp na tien jaar) dat je het met slim overheidsbeleid en wat extra investeringen makkelijk kunt compenseren, aldus Truger.
Truger heeft ook een interessante opvatting over de invoering van het kapitaaldekkingselement dat nu wordt voorgesteld. Dat wordt gepresenteerd als alternatief voor hogere premies binnen het huidige omslagstelsel, maar hij wijst erop dat het de totale last voor werknemers met 4 procentpunt verhoogt, zonder bijdrage van werkgevers. Oftewel: je klaagt over oplopende sociale premies, en je oplossing is een extra bijdrage voor een kapitaalfonds van 2 tot 4 procent.
Hoe de pensioenplannen precies gaan landen in Duitsland is nog onduidelijk. Op dit moment betekent het in elk geval zowel langer werken als hogere premies. Daarbij sneuvelt ook de vroegpensioenregeling, die vooral voor mensen met zware beroepen gold (ook wel bekend als ‘Rente mit 63’). Er komt een hardheidsclausule voor in de plaats voor mensen die medisch aantoonbaar niet meer kunnen werken, maar de uitwerking is nog vaag. Vakbonden vrezen nu al dat mensen met lichamelijk zwaar werk hiermee onvoldoende beschermd zijn.
Conclusie
Hier laat ik het even bij voor deze week. De werkgeversorganisaties zijn overwegend enthousiast (al kan het wat hun betreft altijd wat meer zijn), de vakbonden zijn meer verdeeld: Ver.di is diep ontevreden, zij hekelen het grote wantrouwen tegenover werknemers; de koepelorganisatie, de Deutsche Gewerkschaftsbund gaf daarentegen een vrij matte reactie met veel nuances en probeerde een nadrukkelijk constructieve toon te houden.
Dat is op zich niet verrassend bij een hervormingspakket, er zullen altijd voor- en tegenstanders zijn. Grote protesten zijn vooralsnog niet gepland, maar die zullen wellicht nog wel volgen. De SPD heeft met de belastinghervorming haar stempel proberen te zetten, maar op het terrein van de arbeidsmarkt heeft ze weinig weerstand geboden. Of dit pakket Duitsland daadwerkelijk ‘flott kriegt’, zoals Merz het noemde, zal moeten blijken.



