"Een hondsch bestaan"
M.J. Brusse en de griendwerkers in de Biesbosch
Dit is het vervolg op mijn eerdere stuk over M.J. Brusse, de journalist die rond 1900 undercover misstanden in de havens aan de kaak stelde. Over de willekeur van het huurbazensysteem, de afhankelijkheid van de slaapbazen en het misbruik van het uitbetalen in dranklokalen.
In zijn NRC-rubriek, “Onder de Menschen”, schreef hij jarenlang over de arbeidsomstandigheden van vergeten groepen, en met zijn stukken lukte het hem vaak het een en ander in beweging te zetten. Dit verhaal gaat over de griendwerkers in de Biesbosch en het Ketenbesluit van 1924. Geen bekend stukje wetgeving, maar wel relevant, ook in het licht van de discussie over de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten.
Landhaaien en vrije mannen
Lees hier het vorige stuk over M.J. Brusse, zijn beschrijving van de uitbuiting van zeelieden door huur- en slaapbazen, en de roerige aanloop naar de Stuwadoorswet van 1914.
Een aangeplant landschap
De Noord-Brabantse Biesbosch is altijd een dunbevolkt gebied geweest. Rond 1900 woonden er gemiddeld slechts vier tot vijf mensen per vierkante kilometer. Het landschap bestond grotendeels uit riet en wilgen. Dit werd doorkruist door smalle watertjes, killen genoemd. Als je door de Biesbosch heen voer zag je, zo ver als je kon kijken alleen maar water en riet.
Tot 1421 heette het gebied de Grote Waard. Lange tijd was dit een vruchtbaar poldergebied, waar op de hoger gelegen delen graan werd verbouwd; in de lagere delen graasde vee. Het was ook een gebied waar veel veenwinning plaats had gevonden, maar daardoor was het in de 15e eeuw door inklinking ook kwetsbaar natuurgebied geworden, gevoelig voor overstromingen.
Die kwetsbaarheid werd duidelijk in de nacht van 18 op 19 november, 1421. Tijdens de storm die de geschiedenis inging als de Sint-Elisabethsvloed, brak een belangrijke dijk door, waarna het land compleet onder water kwam te staan. Er volgden nog meer dijkbreuken, en de polder ging in 1425 definitief verloren. Wat overbleef was een groot binnenmeer van zout water, ongeveer zo groot als het huidige Markermeer.
In de eeuwen daarna vormden zand en rivierslib nieuwe zandplaten in dat meer. Het zoute water maakte langzaam plaats voor zoet water, maar die platen bleven niet vanzelf liggen. Zodra ze droog genoeg waren, plantten arbeiders er biezen op om de aanslibbing te versnellen (vandaar de naam Biesbosch). Na de biezen kwam het riet, ook dat was aangeplant, en daarna werden er wilgen op de platen geplant. Zo werden de platen steeds verder opgehoogd tot ze “griendland” werden.
Een combinatie van natuurlijke processen en menselijk ingrijpen maakte de Biesbosch tot het dunbevolkte wilgenboslandschap dat het rond 1900 was.
De griendhakkers
Als het wilgenhout drie of vier jaar oud was, kwamen de hakkers: zij sneden de takken vlak boven de grond af, bonden de takken in bossen en voerden ze af naar de omliggende dorpen om daar verwerkt te worden in de hoepmakerijen. Een griend is dus in feite een perceel laaggehouden wilgen.
De werklieden, de griendhakkers en planters, de mannen die de wilgentakken afkapten en nieuwe scheuten in de grond staken, kwamen ook uit deze dorpen: uit Werkendam, Almkerk, Made, Drimmelen, Raamsdonk en andere plaatsen in de regio. Ze moesten een flinke reis afleggen voor het werk, want het waterlandschap was alleen bereikbaar per aak: een brede rivierboot met platte bodem die laag in het water lag en geschikt was voor de ondiepe kreken van de Biesbosch.
Om die reis iedere dag af te leggen was onmogelijk: de percelen lagen zo ver verwijderd van de bewoonde wereld en de beweging van het eb- en vloed gaf zo veel obstructies, dat het ondoenlijk was om dagelijks heen en weer te pendelen; altijd zat ofwel het water tegen, ofwel de wind stond verkeerd.
De mannen voeren dus maandagochtend het gebied in en kwamen vrijdag- of zaterdagavond pas weer terug. In de tussentijd verbleven ze in een keet, een provisorisch onderkomen op het werkperceel. De griendwerkers sliepen en aten in deze zelfgemaakte bouwwerken van riet en hout. Ze namen beddengoed mee en proviand voor zes dagen.
Zaterdag voeren ze terug om loon te innen bij de pachter en brachten het weekend thuis door. Maandag begon het opnieuw. Kinderen gingen mee op deze wekelijkse tochten zodra ze oud genoeg waren om een bijdrage te leveren, vanaf een jaar of tien was dat.
De keten waren van levensbelang. Ze moesten een goede beschutting geven tegen onstuimig weer, want let op: griendwerk was winterwerk. In de wintermaanden werden de wilgentenen gekapt, in de meest barre winterse omstandigheden.

Een systeem van uitbuiting
De hele industrie rondom het griendwerk was gebaseerd op pure uitbuiting, van het hakken tot het maken van de hoepen. Hoepen (of hoepels) waren het eindproduct van de wilgen: ronde banden van gebogen wilgenhout, waarmee vaten en tonnen bij elkaar werden gehouden. Die vaten werden gebruikt om haring, kaas, of later ook kolen in te vervoeren.
Het hakken werd per stuk (bijvoorbeeld per honderd bossen) betaald, en de beweging van eb en vloed had daardoor ook een rechtstreekse invloed op het weekinkomen van de arbeiders. Een dag regen of een springvloed betekende geen inkomen die dag. Er was dus geen enkele zekerheid van een stabiel inkomen voor de griendwerkers.
In de hoepmakerswerkplaatsen in de dorpen, was het niet veel beter. De hoepmakers moesten zelf de aken lossen waarop de bossen wilgenhout werden aangevoerd, dat duurde gemiddeld zo’n anderhalf uur en moest twee á drie keer per week gebeuren. Voor dat werk kregen de hoepmakers niet betaald, dat deden ze voor niets. In de winter moesten de hoepmakers bovendien zien te voorkomen dat het hout in de schuur zou bevriezen, maar de kolen die ze nodig hadden om de schuren op temperatuur te houden… die moesten ze ook zelf betalen.
Brusse naar de Biesbosch
Nadat Brusse zich had ondergedompeld in de wereld van de zeelieden en havenarbeiders begon hij vanaf 1905 een lange serie te schrijven over het werk in de Biesbosch. Bijna drie jaar lang bleef hij in zijn rubriek “Onder de Menschen” op dit thema terugkomen.
Hoe Brusse in de Biesbosch terechtkwam is onduidelijk. In zijn stukken werd hij telkens vergezeld door ene “Bart”. Al in zijn eerste stukje over de Biesbosch begint hij direct over Bart met wie hij de Biesbosch in roeit en die hem onderweg uitlegt “hoe ‘t allemaal in mekaar zit gewikkeld”. Later wordt duidelijk dat Bart waarschijnlijk eerder een samengestelde figuur was, geconstrueerd uit gesprekken die Brusse met meerdere griendwerkers in die tijd voerde.
Levensgevaarlijk
Uit de gesprekken die Brusse voerde, werd duidelijk dat het hakwerk echt gevaarlijk werk was. Het “gejaagde ploeteren met die vlijmscherpe werktuigen”, leidde er volgens Brusses gesprekspartner geregeld toe dat iemand zich zomaar in z’n knie of been kon hakken.
Bart beschreef een voorval van een paar weken eerder, waarbij iemand zijn eigen pols had afgehakt. Doordat er in de wijde omgeving geen eerste hulp beschikbaar was, bloedde deze persoon uiteindelijk ter plekke dood. Als je zo’n ongeval wel overleefde moest je leven met andere gevolgen: “als je dan invalide van het werk weg moet blijven, heb je zelf met je vrouw en je kinderen geen eten”, dus ook op die manier kon iemand zo’n ongeval niet veroorloven.
Brusse wees in deze passage op het bestaan van de Ongevallenwet, die in 1901 was ingevoerd. Deze wet verzekerde tegen de gevolgen van een ongeval op het werk (nu exact 125 jaar geleden!), maar die gold dus niet voor deze bedrijfstak; de wet dekte alleen de risico’s van de typische fabrieksindustrie. Brusse schreef dit duidelijk op om de mensen ervan te overtuigen een ongevallenwet in deze bedrijfstak nog veel meer nodig was dan in anderen. Pas in 1922 werd een Land- en Tuinbouwongevallenwet ingevoerd.
Even een zijpaadje: ik kan niet genoeg benadrukken hoe geweldig de krantendatabase Delpher is. Je vindt er een schat aan bronnen in terug, en dat is wereldwijd ongeëvenaard. Toch blijft het een beperkte collectie: lang niet alles staat erin. Gelukkig breidt de collectie zich steeds verder uit, maar de Nieuwe Rotterdamsche Courant is bijvoorbeeld nog steeds niet compleet aanwezig. Zoals je hieronder ziet, beginnen de beschikbare edities pas eind 1909. Dat betekent dat een groot deel van Brusses rubriek “Onder de menschen” niet op Delpher terug te vinden is, waaronder zijn stukken over de Biesbosch. Het zou mooi zijn als die snel beschikbaar kwamen.
Ik moest dus nog ouderwets met microfiches in de Koninklijke Bibliotheek in de weer om de stukjes van Brusse te kunnen lezen. Gelukkig kwam ik er later achter dat de columns gebundeld zijn in een boekje door Huib den Tuinder, iemand die jarenlang werkte bij het arbeidsbureau in Almkerk, waar hij de reiskosten van griendwerkers regelde en daardoor wekelijks in de Biesbosch kwam. Het is een mooie verzameling, maar helaas was Den Tuinder niet zo zorgvuldig met de bronvermelding in zijn bundel, waardoor ik niet volledig kan reconstrueren in welke edities van de NRC de stukken van Brusse verschenen.
In kleuren en geuren vertelde “Bart” aan Brusse hoe het leven als griendwerker eruitzag, met veel details bijvoorbeeld over wat een griendwerker als proviand voor een week meenam (vijf porties aardappels, een half pond boter, een pond Amerikaans spek en azijn, “voor de hoofdsmaak")
Je aardappels eet je met ’n sausje van aardappelwater, spekvet, azijn en wat peper. Aardappelen, met aardappelen en aardappels toe, en ’n loopje lawaaisaus
[een saus die gemaakt werd op basis van het kooknat van aardappelen].
En koffie natuurlijk.
Dan heeft ‘n elk anderhalf ons koffie in z’n kist. Want als je nat bent, of half bevroren, ziek of baloorig in die ongure waterwoestijn daar op je slikkerige kluitje, dan is een bakkie je troost en je toeverlaat, meneer.
Biezensnijders
Biezensnijden was in tegenstelling tot griendhakken wel zomerwerk, maar dit werk was van minder grote omvang en veel sporadischer: een gors biezen werd maar om de twee jaar gesneden, en de pachters namen dan in korte tijd zoveel mogelijk arbeiders aan om dit werk te klaren. Wat interessant is, is dat de biezensnijders vaak niet eens in een keet verbleven, maar gewoon sliepen in de aak. In de zomer kon dat.
De gesneden biezen waren bestemd voor de mattenindustrie: uit de gedroogde biezen werden matten geweven en rotan-achtige stoelen gemaakt. Bart beschrijft ook hoe de biezen, nadat ze gesneden waren, naar de drogerijen in de omliggende dorpen werden gebracht. In veel streken werkten in die drogerijen ook vrouwen mee. Werkendam was daarop een uitzondering: daar bleven de vrouwen thuis, en Bart noemde het dorp daarom licht spottend de “vrouwenhemel”, al voegde hij er meteen aan toe dat de vrouwen daar de extra bijverdienste best hadden kunnen gebruiken, en waarschijnlijk wel mee wilden werken.
Gevangen in de keet
Terug naar de keten voor de griendwerkers. Bart vertelde Brusse van een gebeurtenis, van een jaar eerder, dat een keet instortte terwijl hij er samen met acht andere griendwerkers in lag te slapen. Waarschijnlijk was er een storm die de vloed extra opstuwde. Ze moesten daarna zes uur lang in het donker op een stuk hout blijven om uit de stroom te blijven.
Onder die negen griendwerkers waren ook jongens van veertien jaar oud. Toen het water gezakt was, roeiden ze terug naar de griend, om de weggespoelde wilgen van de pachter weer terug te vissen. De pachter, die de volgende middag kwam kijken, vroeg volgens Bart niet of ze gevaar hadden gelopen. Zijn eerste reactie was: “Is er ook schade aan het hout toegebracht?”
De keten zelf konden ook ziek maken. Bart beschreef hoe in sommige keten de rook nauwelijks kon ontsnappen. Er moest wel een vuurtje in de keten branden om te kunnen koken en om warm te blijven, maar zonder goede ventilatie werden de arbeiders daar doodziek van, met ernstige oogklachten tot gevolg. Bart noemde zelf de prijs die dat kostte: “dat je soms verplicht bent om zoo’n dag of veertien thuis te blijven zonder verdienste, om je zieke oogen te laten genezen.”
Bart wilde vooral één beeld laten doordringen aan Brusse: “dat we van alle kanten vastgebonden zitten en er niet uit kunnen breken”, en dat beeld kwam duidelijk binnen bij Brusse. Zijn eindoordeel over de toestand was dat “de meeste arbeiders in den Biesbosch, ter wille van een schraal kostje, gedoemd zijn om een hondsch bestaan te leiden.” De varkens in de varkensstallen hadden volgens Brusse een beter bestaan in de Biesbosch.
…zoo’n vuile, leelijke, vervallen keet, waar ‘n ordentelijke boer z’n varkens nog te goed voor zou houden. Maar de Staat en ‘t Kroondomein hebben in die woestenij van water en slik nu eenmaal geen betere verblijven voor ons hakkers, om er te schuilen, den harden winter door, als ‘t opkomend water, de nijdige buien of de nacht ons van ‘t jagende werk af drijft.
Wie is verantwoordelijk?
De publicaties van Brusse legde voor de tweede keer bloot dat er een grote lacune in de arbeidswetgeving bestond, het onderkomen van mensen die op locatie werkten, met de Biesbosch-keten als absoluut dieptepunt. De publicaties van Brusse deden dan ook veel stof oplaaien. In veel andere kranten werden de columns besproken en werden de verantwoordelijken gehekeld.
Even om duidelijk te maken wie de verantwoordelijkheid droegen voor deze omstandigheden: delen van de Biesbosch waren kroondomein, andere delen staatsdomein, en dan waren er nog particuliere grondbezitters. Daartussen had je de pachters, die als tussenschakel het werk aanstuurden.
De pachters waren de formele werkgevers die de winsten van de verkoop van het hout opstreken. Zij waren ook juridisch verantwoordelijk voor de keten, alleen: aan het einde van de pachttermijn moesten de keten worden afgebroken of viel het zonder vergoeding terug aan de grondeigenaar.
Dat betekende dat de pachters ook geen enkele motivatie hadden de keten te onderhouden, want dat kostte geld dat ze nooit konden terugverdienen. De pachter had dus geen enkel belang bij een leefbare keet. Tegelijkertijd bleven die grondeigenaren buiten schot, en opvallend genoeg was dit vaak de Staat of de koninklijke familie (kroondomein).
Toch wilde Brusse juist expliciet deze partijen op hun verantwoordelijkheid aanspreken:
Misschien is het naïef […] maar aan dat instituut [de Kroon] verbond ik nu eenmaal tot nu toe een meer ideële voorstelling van de arbeidsverhoudingen, die er zouden heerschen […] en misschien is het deze schrijnende desillusie, die mij over de misstanden op het Kroondomein in den Biesbosch onbewust wat bitterder deed schrijven.
Brusse schreef dit in reactie op een ingezonden brief van G.P.C. Baron Mulert, de rentmeester van het Kroondomein, die de beschrijvingen van Brusse “schromelijk overdreven” vond. Hij was niet erg geschokt van de verhalen van Brusse, maar wilde vooral weten welke autoriteiten Brusse van informatie hadden voorzien, en verder wilde hij vooral benadrukken: de Biesbosch is geen “liefdadigheidskolonie”.
Door de mediastorm besloot Prins Hendrik, wiens bezit het officieel was, toch een bezoek te brengen aan de Biesbosch in 1907.
Echt grote gevolgen had dit bezoek niet. In de kranten werd geschreven dat de grondeigenaren zich wel íets aantrokken van de omstandigheden, maar vooral op zo’n manier dat de rentmeesters besloten grote bossen riet rond de keten te laten aanplanten, waardoor ze uit het zicht verdwenen.
Regelgeving in de maak
Wat kon de Arbeidsinspectie hier betekenen? Weinig. In deze periode was het toezicht nog vooral beperkt tot het toezicht op fabrieken en vergelijkbare werkplaatsen; met het onderkomen van arbeiders hadden zij al helemaal niets te maken. Voor zover het onder iemands verantwoordelijkheid viel was het voor het toezicht op de Woningwet, dat onder de gemeentes viel.
De eerste veranderingen kwamen vooral toen kort na de eerste publicaties van Brusse in de Tweede Kamer vragen werden gesteld over de situatie in de Biesbosch. Als gevolg werden de rieten keten op het staatsdomein allemaal afgebroken, want daar kon de regering zelf direct invloed op uitoefenen als eigenaar (het kroondomein was nog een ander verhaal). In de plaats daarvan kwamen nieuwe houten keten, met een gemetselde fundering.
De nieuwe keten waren een verbetering, maar het was nog steeds geen comfortabel gebeuren. De keten hadden meestal nog geen verharde vloer waardoor de griendwerkers nog steeds moesten slapen op een ongelijke vloer, omwoeld door muizen en ratten.
Het duurde tot 1924 voordat er wetgeving kwam om hier iets aan te veranderen. Bij Koninklijk Besluit werd dat jaar het Ketenbesluit afgekondigd, gebaseerd op een artikel in de Woningwet. Voor het eerst golden er nu concrete eisen voor keten, tenten en soortgelijke onderkomens die voor tijdelijke bewoning waren bedoeld.
De eisen die aan een keet gesteld werden waren dat er een aparte ruimte moest zijn om overdag te verblijven en een aparte ruimte om te slapen. Per bewoner moest een minimale luchtruimte van zeven m3 beschikbaar zijn, en een slaapplek moest een afmeting hebben van minstens 1,90 bij 0,75 meter, met tussenschotjes van dertig centimeter hoog voor wat afscheiding. Er moest minstens één privaat zijn per tien bewoners, er moest drinkwater beschikbaar zijn, voldoende ventilatie, maatregelen tegen brand, en een fatsoenlijke afvoer van afval en vuil water.
Die normen waren maar deels effectief, want de pachters bedachten al gauw manieren om die regels te omzeilen. Sommige werkgevers lieten de griendwerkers zelfs slapen in woonboten in plaats van in keten, want de eisen van de Wet op Woonwagens en Woonschepen waren veel soepeler vergeleken met de normen in het Ketenbesluit.
Dweilen met de kraan open
De Arbeidsinspectie werd met het Ketenbesluit voor het eerst aangewezen als toezichthoudend orgaan op deze bepaling van de Woningwet, en daarom gingen de eerste inspecteurs de Biesbosch in. In 1931 deed de Arbeidsinspectie verslag van grootschaliger onderzoek naar de omstandigheden en de uitkomsten stemden helaas niet vrolijk. Bij de keten op het Staatsdomein en het Kroondomein was weliswaar (lichte) verbetering te zien (meer op het Staatsdomein dan op het Kroondomein), maar bij de particuliere grondeigendommen was het echt pure ellende.
De inspecteurs troffen keten aan waar plek voor vier was, maar tien man tegelijk in sliepen. Keten zonder privaten. De inspecteurs bezochten één keet waar de griendwerkers net thee aan het zetten waren, maar door extreme rookvorming konden ze niet eens rechtop staan in de keet. De schoorsteen was niet meer dan een vergane houten buis door een gat in het rieten dak.
Verder beschrijft de inspecteur nog met mild ironische ondertoon dat hij een krot van een keet aantrof, waarnaast wel een mooi nieuw getimmerd kippenhok stond en een varkensstal (ter illustratie dat de dieren hier een beter onderdak hadden dan de mensen).
De inspecteur die het verslag opschreef meende vrij wanhopig dat toezicht eigenlijk niet de oplossing van het probleem was, maar dat er echt structureel iets moest veranderen in de Biesbosch. Zolang de gemeenten over onvoldoende technisch personeel voor bouwtoezicht beschikten, en belangrijker nog, zolang de Biesbosch een geïsoleerd stuk land was, waar geen goede verkeerswegen naar toe leidden, was er geen structurele verandering mogelijk.
Pas wanneer die wegen er waren en de Biesbosch echt ontsloten kon worden, meende de inspecteur, kon de streek zich werkelijk tot bewoonbaar gebied ontwikkelen; en tot die tijd bleef het dweilen met de kraan open.
Het einde van de griendcultuur
De situatie etterde nog lange tijd door. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de situatie iets anders, vooral omdat de griendwerkers zelf weigerden naar de keten te gaan. De werkgevers klaagden in 1947 over een groot arbeiderstekort en dat het werk in de grienden niet meer kan gebeuren. In werkelijkheid kozen de mensen in de gebieden liever voor ander werk, dat inmiddels steeds meer beschikbaar was in het kader van de wederopbouw. De inspecteur van de Arbeidsinspectie meende dat het inmiddels geen “ketenvraagstuk” meer was waar men mee te maken had, maar een “arbeidersvraagstuk”.
Uiteindelijk verdween de griendwerkerscultuur. Dat kwam niet door ingrijpen in de arbeidsomstandigheden, of door het toezicht op de keten; het was een ingreep in de waterwerken die het einde inluidde. Door de afsluiting van het Haringvliet in 1970 verdween de eb- en vloedbeweging in de Biesbosch, waardoor de juiste condities voor de groei van het riet verdwenen. In diezelfde periode viel ook de vraag naar hoep- en rijshout weg. De opkomst van andere vormen van vervoer en goederen om dingen in te bewaren elimineerde de behoefte voor deze technologie.
Onderdak als arbeidsvoorwaarde
Dit hele verhaal over griendwerkers en de keten in de Biesbosch heeft veel raakvlakken met de vraagstukken waar de Arbeidsinspectie nu mee te maken heeft. De laatste jaren gaat het steeds vaker over de huisvesting van arbeidsmigranten, waar veel misgaat, en ook daar speelt de vraag hoe je toezicht op tijdelijke huisvesting organiseert.
De Arbeidsinspectie loopt daarbij tegen dezelfde grens aan als een eeuw geleden: huisvesting wordt niet gezien als arbeidsvoorwaarde, maar als een aparte kwestie van volkshuisvesting en verhuur. Het toezicht daarop ligt dan ook niet bij de Arbeidsinspectie zelf, maar bij gemeenten, terwijl werkgevers wél een deel van het loon mogen inhouden voor diezelfde huisvesting.
Er is dus niet zoveel veranderd: we hebben nog steeds te maken met werkgevers die de verantwoordelijkheid voor verblijf het liefst zoveel mogelijk loskoppelen van hun verantwoordelijkheid voor het welzijn van de werknemers. Zolang huisvesting institutioneel losstaat van de arbeidsrelatie, blijft het voor werkgevers relatief eenvoudig om zich aan die verantwoordelijkheid te onttrekken.
De kosten voor het verblijf worden op die manier zoveel mogelijk afgewenteld op de werknemers zelf, of op de bredere omgeving. Terwijl juist het omgekeerde zou moeten gelden: als een werkgever iemand naar een afgelegen plek haalt om er te werken, is een slaapplek geen vrije keuze maar een rechtstreeks gevolg van die arbeidsrelatie. Dat zou steviger in het beleid moeten worden erkend.
Helaas is de Arbeidsinspectie niet veel beter toegerust dan een eeuw geleden, toen ze in 1924 alleen bevoegd werd voor één specifieke bepaling in de Woningwet. Zolang huisvesting versnipperd blijft over gemeenten, verhuurwetgeving en arbeidswetgeving, zonder dat één partij het geheel – de arbeidsrelatie én de woonsituatie – als haar verantwoordelijkheid ziet, blijft toezicht achter de feiten aanlopen. Dat was zo bij de pachters in de Biesbosch, en het is niet anders bij de huidige huisvestingsproblematiek van veel arbeidsmigranten.








