Pensioenkloven uit het verleden
De roerige geschiedenis van Duitse pensioenen, deel II: de DDR en de erfenis van de Duitse deling

Eerder schreef ik over de bijzondere geschiedenis van het Duitse pensioenstelsel: hoe twee verloren oorlogen, die voor een belangrijk deel uit de pensioenkassen van de werkenden waren gefinancierd, aan de wieg stonden van de grootschalige hervorming onder de regering-Adenauer in 1957. Daarmee werd pas definitief gebroken met het kapitaalgedragen stelsel dat Bismarck oorspronkelijk voor ogen had. Anders dan wat wel eens beweerd wordt, voerde Bismarck dus geen omslagstelsel in, maar Duitsland belandde er pas nadat de waarde van de pensioenkassen tot twee maal toe was verdampt door oorlog en inflatie.
Kort na het schrijven van die post realiseerde ik me dat ik afsloot met slechts de helft van het verhaal. De Duitse Bondsrepubliek (BRD) was immers niet het enige land dat met die leeggelopen kassen te maken had.
Hoe werkte deze geschiedenis door in de DDR?
Die vraag, en de bredere vraag hoe de Duitse deling nog steeds doorwerkt in het heden, vormt het vertrekpunt van deze post.
Een verzekering voor alle Duitsers
Na de Tweede Wereldoorlog stapte de DDR, net als de BRD, definitief over op een omslagstelsel. In de DDR was dit gebaseerd op een minder expliciet besluit, maar het was duidelijk dat er, gezien de situatie, eigenlijk geen andere optie was.
Deze omschakeling was onderdeel van een serie verordeningen die het Sovjetleger in 1947 uitvaardigde over de sociale zekerheidsvoorzieningen in de oostelijke bezettingszone. Deze verordeningen waren van groot belang, want ze vormden de basis voor het totale sociale zekerheidsbeleid dat tot het einde van de DDR in 1990 min of meer van kracht bleef.
Dat betekent niet dat het Oost-Duitse sociale zekerheidsstelsel een volledig Russisch importproduct was. De Sovjets voerden juist voor een groot gedeelte de wensen van de Duitse vakbeweging voor de hervorming van de pensioenen door. Tot de belangrijkste eisen behoorden de afschaffing van het onderscheid tussen de fondsen voor arbeiders en voor beambten, en de invoering van een Einheitsversicherung die voor alle Duitsers gelijk was. Daarnaast streefden zij naar zelfbestuur van de fondsen door alle verzekerden.
Het omslagstelsel daarentegen was geen eis van de Duitse arbeidersbeweging. Maar het systeem paste wel bij de ideologie van de de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (de SED), die zich vaak minachtend uitliet over op premies gebaseerde stelsels en de daarmee samenhangende uitkeringen. Zij beschouwden verzekeringsstelsels – waarin iedereen recht had op uitkeringen op basis van wat hij of zij had bijgedragen – als een typisch kapitalistisch principe. De leiding van de DDR voelde zich daarentegen meer aangesproken door het idee dat iedereen op zijn oude dag door de staat kon worden verzorgd, ongeacht de premies die men had betaald.
In de praktijk was het verschil tussen beide principes overigens niet zo scherp. Zowel in de BRD als in de DDR was de pensioenhoogte afhankelijk van het vroegere inkomen en het arbeidsverleden, en bleven de bijdragen formeel een verzekeringskarakter dragen.

Dynamische vs. stilstaande pensioenen
Er was één belangrijk verschil tussen het omslagstelsel van de DDR en dat van de BRD, en dat was de dynamische uitkering. De dynamische uitkering was de belangrijkste verworvenheid van de Adenauer-hervorming van 1957, toen het omslagstelsel in West-Duitsland definitief in de wet was vastgelegd. De dynamische uitkering betekende dat de pensioenen zich vanaf dat moment automatisch aan het loonpeil aanpasten.
Dit aanpassingsmechanisme bestond niet in de DDR. In de DDR was de hoogte van het pensioen afhankelijk van iemands voormalige inkomen en de lengte van de loopbaan, maar verder niets. Voor elk gewerkt jaar kreeg iemand één procent van het maandelijks gemiddelde inkomen van dat jaar, dat werd opgeteld bij een basisinkomen van 30 Ostmark per maand.
Er zat daarnaast nog een bovengrens op de premies die men betaalde: inkomens boven de grens van 600 Ostmark per maand telden niet mee. Het gevolg was dat de pensioenen steeds meer bij de lonen achterbleven en de koopkracht van gepensioneerden dus steeds verder daalde.
Hoewel een hervormingscommissie van de SED het systeem in 1956/57 nog probeerde te veranderen (in dezelfde tijd dat de grote hervorming in de BRD werd doorgevoerd) strandde deze poging. Het enige dat de regering kon doen aan de achteruithollende uitkeringen was het minimumpensioen sporadisch verhogen, wat meermaals gebeurde, zoals ook in 1956 (naar 105 mark), maar dat droeg weinig bij aan het structureel verbeteren van de schrale pensioenen die Oost-Duitsers ontvingen. Tot het einde van de DDR betekende pensionering voor de meeste Oost-Duitsers dat hun inkomen met meer dan de helft achteruitging.

Geen ruimte voor structurele verbeteringen
Wat weerhield de leiding van de DDR ervan om de financiële situatie van gepensioneerden te verbeteren? Een aantal factoren. Eerst de meer structurele factoren: de DDR kende veel minder gunstige demografische ontwikkelingen dan de BRD.
Als ik de situatie in 1970 als uitgangspunt neem, komt het volgende beeld naar voren:
In 1970 waren er in West-Duitsland dus ongeveer 4,5 werkenden per gepensioneerde. In de DDR was die verhouding 2,7 per gepensioneerde. Dit was niet alleen te wijten aan de vergrijzing in Oost-Duitsland, maar ook het gevolg van de massale Republikflucht in de jaren vijftig.
Vooral veel mannen waren de DDR ontvlucht, waardoor de bevolkingspiramide opvallende verschillen vertoonde tussen Oost en West. Met name de leeftijdsgroep van 45-60 jaar was in die periode in de DDR aanzienlijk kleiner dan in West-Duitsland. Een andere factor was dat vrouwen in de DDR al op 60-jarige leeftijd met pensioen mochten gaan, wat het aantal gepensioneerden ook deed toenemen.
Door deze demografische samenstelling was het pensioenstelsel van de DDR steeds moeilijker te bekostigen. Daar kwam nog eens het probleem van het maximum van 600 Ostmark bij. Terwijl de nominale lonen stegen zorgde dat voor een steeds knellender situatie. Midden jaren ‘60 was het gemiddelde inkomen al ruim boven die 600 Ostmark uitgestegen, waardoor over een steeds groter deel van de Oost-Duitse loonsom geen premies werden afgedragen.
De machtshebbers waren echter huiverig om de premies te verhogen, zeker na de massale volksopstand van 17 juni 1953, die in de kern ging over een verhoging van de arbeidsproductiviteit en daarmee over een verlaging van de reële lonen.
Uit angst voor nieuwe rellen wilde de SED de levensstandaard van de werkenden in de DDR dus niet opnieuw aantasten. Betere pensioenen werden daarom alleen mogelijk geacht bij een forse stijging van de arbeidsproductiviteit, want alleen dan zou de productie genoeg groeien om uitkeringen te verhogen, zonder dat werkenden er rechtstreeks voor opdraaiden. Die productiviteitsgroei bleef grotendeels uit.

Feodalisering
In 1968 en 1971 werden nog wel wat nieuwe elementen aan het systeem toegevoegd. De regering introduceerde een vrijwillige aanvullende verzekering voor de oude dag, waarmee mensen ook over het deel van hun inkomen boven de oude grens van 600 Ostmark premie konden afdragen. Opvallend genoeg was dit een kapitaalgedekt systeem, waarmee een tweede pijler van het DDR-pensioenstelsel ontstond. Er bleek alleen weinig animo voor deze vrijwillige verzekering te zijn.
Daarnaast kwam er een regeling voor vrouwen, die voor de geboorte van ieder kind gecompenseerd werden. Die regeling diende meerdere doelen: het verkleinde het pensioengat tussen mannen en vrouwen en maakte deel uit van het bredere gezinsbeleid van de DDR, dat gezien de demografische ontwikkelingen veel nadruk legde op een hoog geboortecijfer.
En er is nog een belangrijk punt dat genoemd moet worden, een soort schaduwstelsel dat naast de officiële Einheitsversicherung bestond: het stelsel van de Sonder- en Zusatzversorgung. Voor bepaalde beroepsgroepen golden aparte regelingen, zoals voor ingenieurs, wetenschappers, tandartsen en artsen; ambtenaren bij de politie, de douane, de post en de Reichsbahn; “bijzonder verdienstelijke” burgers (strijders tegen het fascisme bijvoorbeeld); en – uiteraard – de leidinggevende kaders van de socialistische partij.
Deze bijzondere regelingen waren grotendeels al in de jaren 50 en begin jaren 60 ingevoerd en werden daarna steeds verder uitgebreid. Uiteindelijk waren er 31 van dit soort parallelle pensioensystemen. Die sterke stratificatie was een opvallende ontwikkeling voor het land dat zichzelf altijd presenteerde als ‘Arbeiter- und Bauernstaat’. Een historicus beschrijft deze trend wel als een ‘neo-feodalisering’ van de DDR. Afhankelijk van je beroep was er een betere regeling voor de oude dag.
Steeds meer uit algemene middelen
Gedurende de periode van de DDR bleef het politiek onwenselijk om de premiepercentages te verhogen (die lange tijd op 10% bleven steken), ook al verslechterde de demografische situatie. Als vanzelf werd daardoor een steeds groter deel van de pensioenverplichtingen door de staat gedragen. Een stelsel dat in naam een omslagstelsel was, werd in de praktijk dus een verzorgingstelsel dat voornamelijk via belastingen en staatschulden werd gefinancierd.

Wat dat betreft kan de DDR als vroeg voorbeeld worden gezien van wat nu in Nederland met de AOW gebeurt. De premies zijn al lange tijd niet meer voldoende om alle verplichtingen te dekken, waardoor steeds meer uit de algemene middelen wordt betaald (sinds 2024 meer dan de helft).
Dat hoeft niet meteen een probleem te zijn voor de houdbaarheid van het systeem, maar het betekent wel dat de gepensioneerden in feite meebetalen aan hun eigen pensioen. En in Duitsland speelde deze ontwikkeling een belangrijke rol tijdens de hereniging in 1990.
De muur viel, en wat toen?
Wat gebeurde er na de val van de Berlijnse Muur in 1989 en de hereniging van de twee Duitslanden in de jaren daarna? Heel veel, en de pensioenen van de Oost-Duitsers bleek een van de meer omstreden kwesties te zijn. Bondskanselier Kohl beloofde in 1991 dat niemand er op achteruit zou gaan bij de complexe operatie van de hereniging, maar dat pakte niet altijd zo uit.
Kohls belofte van de blühende Landschaften:
Nur die rasche Verwirklichung der Währungs-, Wirtschafts- und Sozialunion bietet die Chance, dass Mecklenburg-Vorpommern, Sachsen-Anhalt, Brandenburg, Sachsen und Thüringen bald wieder blühende Landschaften sein werden, in denen es sich zu leben und arbeiten lohnt. […] Viele unserer Landsleute in der DDR werden sich auf neue und ungewohnte Lebensbedingungen einstellen müssen und auch auf eine gewiss nicht einfache Zeit des Übergangs. Aber niemandem werden dabei unbillige Härten zugemutet. Den Deutschen in der DDR kann ich sagen, was auch Ministerpräsident de Maiziere betont hat: Es wird niemandem schlechter gehen als zuvor - dafür vielen besser
Helmuth Kohl in zijn regeringsverklaring over de Duitse monetaire unie, 21 juni 1990
Een vroeg en omstreden besluit, waaraan Kohl in deze toespraak refereert, was de één-op-één-koppeling van de Ostmark aan de D-mark, terwijl de werkelijke koopkracht van de Ostmark aanzienlijk lager lag. Voor de Oost-Duitse bedrijven betekende dit dat hun loonkosten in één klap op westers niveau lagen, terwijl hun productiviteit dat bij lange na niet was.
De Oost-Duitse staatsbedrijven werden overgedragen aan de Treuhandanstalt, een West-Duitse overheidsinstelling die als taak had deze bedrijven te privatiseren of te saneren en te sluiten als ze niet konden concurreren. Het gevolg van het werk van de Treuhand was dat de werkloosheid in het Oosten in korte tijd hoog opliep, van vrijwel nul (in de DDR bestond immers officieel geen werkloosheid) naar 15 tot 20 procent, en de Treuhand werd daarmee een symbool van de pijnlijke economische ombouw van het Oosten.

Door een plotselinge enorme daling van het aantal werkenden stortte het pensioenstelsel van de DDR nog verder in. Het lag voor de hand om de Oost-Duitse gepensioneerden in het West-Duitse stelsel op te nemen, maar dat vergde wel een ingewikkelde herberekening: hoe zet je loopbanen en inkomens verdiend in een planeconomie met kunstmatig bepaalde lonen om naar een westers pensioenstelsel?
Het omslagstelsel als redder in nood
De gezaghebbende historicus Gerhard A. Ritter stelde dat het aan het omslagstelsel van de BRD te danken was dat deze transitie redelijk soepel verliep. Omdat de pensioenen in het Duitse stelsel werden betaald uit de lopende bijdragen van de huidige werkenden was er een direct solidariteitsmechanisme beschikbaar om Oost-Duitse gepensioneerden in de West-Duitse pensioengemeenschap op te nemen.
Natuurlijk was er wel wat weerstand tegen deze operatie, bijvoorbeeld tegen de solidariteitsbijdrage (de “Soli”, kort voor Solidaritätszuschlag) die de West-Duitsers gingen betalen om de hereniging te bekostigen. Maar had de BRD een kapitaaldekkingsstelsel gehad, waarbij iedere deelnemer een eigen potje had opgebouwd, dan zou de opname van Oost-Duitsers zonder eigen pensioenpot vermoedelijk nooit zijn getolereerd.
Als je alleen al ziet hoeveel reuring het ‘invaren’ in het nieuwe pensioenstelsel in Nederland teweegbrengt, omdat mensen het idee hebben dat er iets van hun eigendom wordt afgesnoept, dan kun je je voorstellen dat het delen van je eigen potje met mensen die helemaal niets hebben opgebouwd, nooit was geaccepteerd. Mensen betalen liever iets meer dan dat ze het gevoel hebben dat iets van ze wordt afgepakt (ook wel bekend als het principe van loss aversion).
In het hypothetische geval dat de BRD een kapitaaldekkingsstelsel had gekend, had de Duitse staat de pensioenen van de Oost-Duitsers jarenlang apart moeten bekostigen – vermoedelijk op een veel lager niveau – en had er nog decennialang een veel diepere kloof tussen oost en west bestaan dan nu het geval is.
Dat neemt overigens niet weg dat er ook na de hereniging een fors verschil in de inkomenspositie van gepensioneerden bleef bestaan. Dat zat hem onder andere in het feit dat de overheid de pensioenwaarde – het bedrag waarmee iemands opgebouwde rechten worden omgezet naar een maandelijkse uitkering – voor de voormalige DDR-gebieden lager vaststelde dan voor de westelijke deelstaten. Daardoor bleven de pensioenuitkeringen in het oosten lange tijd meer dan 10% onder het niveau in het westen. Pas in 2023 zijn die rechtgetrokken.
De vergeten groepen
Bij de hereniging kwam ook de vraag op wat er moest gebeuren met de bijzondere aanspraken uit de eerdergenoemde parallelle stelsels (de Sonder- en Zusatzversorgung) en dat was meteen een hoofdpijndossier. Want wat doe je met bijzondere rechten die iemand heeft opgebouwd in een systeem waar je eigenlijk mee af probeert te rekenen? Het volledig overnemen van deze privileges voelde voor velen als het bestendigen van de DDR-ongelijkheden in het nieuwe verenigde Duitsland. Maar ze volledig schrappen was ook geen optie, want veel Oost-Duitsers hadden jarenlang hun bijdragen betaald en rekenden op een bepaald pensioen.
Uiteindelijk besloot de regering deze pensioenrechten toch in de reguliere West-Duitse Rentenversicherung op te nemen, maar niet voor iedereen: voor Stasi-agenten werden de pensioenen bijvoorbeeld drastisch verlaagd. Deze beslissing leidde nog tot langdurige juridische procedures, en sommige van die kortingen werden door het Bundesverfassungsgericht later ongedaan gemaakt (hoewel de kortingen op de pensioenen van Stasi-medewerkers wel van kracht bleven).
Maar er was ook een heel andere categorie van verliezers: mensen die geen verlaging van hun uitkering kregen vanwege hun politieke activiteiten in de DDR-tijd, maar die toch in de kou kwamen te staan. Een belangrijke groep waren de mijnwerkers in de bruinkoolverwerking voor wie vanwege de uitzonderlijk ongezonde werkomstandigheden bijzondere pensioenaanspraken waren geregeld, maar voor wie na de hereniging geen definitieve regeling werd opgesteld. Al bijna dertig jaar procedeert deze groep oud-mijnwerkers voor erkenning, tot nu toe zonder resultaat.

Een soortgelijk scenario deed zich voor bij vrouwen die vóór 1990 in de DDR waren gescheiden. In de Bondsrepubliek was een regeling ingevoerd voor gescheiden vrouwen waarbij de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten bij echtscheiding automatisch fifty-fifty tussen de echtgenoten werden verdeeld – de zogenoemde Versorgungsausgleich. Deze regeling werd na de hereniging niet met terugwerkende kracht ingevoerd voor scheidingen die al hadden plaatsgevonden. Daardoor vielen zo’n 300.000 gescheiden vrouwen volledig buiten de boot, en ook deze groep strijdt al meer dan dertig jaar tevergeefs om compensatie.
Een stukje geschiedenis in het heden
Er valt nog heel veel te zeggen over de pensioenpolitiek van Duitsland sinds de Duitse hereniging, veel te veel om in één Substackpost te behandelen. Maar pensioenpolitiek is voor mij als historicus zo interessant omdat het in feite een stukje geschiedenis in het heden is. Politieke keuzes die in het verleden gemaakt zijn, werken door in het heden. En zo werkt de Duitse tweedeling ook nog steeds door in de huidige pensioenpolitiek van Duitsland.
Er is daarom nog een aspect dat ik hier de moeite waard vind om te bespreken, en waarin de deling van Duitsland een belangrijke rol speelt: de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen.
Die kloof bestaat in vrijwel alle Europese landen, en de oorzaak is overal min of meer dezelfde. Vrouwen verdienen tijdens hun loopbaan gemiddeld minder (de loonkloof), werken vaker in deeltijd en onderbreken hun loopbaan vaker voor de zorg voor kinderen. In een pensioenstelsel dat sterk op arbeidsverleden en verdiend loon is gebaseerd zoals het Duitse, werkt dat rechtstreeks door in de pensioenuitkering. De pensioenkloof in Duitsland was in 2015 zo’n 42,5 procent, vrouwen ontvingen dus gemiddeld aanzienlijk minder dan mannen.
Maar als je die cijfers uitsplitst naar oost en west, ziet het beeld er opvallend anders uit. In de westelijke deelstaten bedroeg de kloof in 2015 ruim 45 procent, terwijl het in het voormalige DDR-gebied om ‘slechts’ 15 procent ging. Oost-Duitse gepensioneerde vrouwen ontvangen ook in absolute termen aanzienlijk meer dan hun West-Duitse leeftijdsgenoten. Dus terwijl de gepensioneerden in de oostelijke deelstaten gemiddeld slechter af zijn dan in de westelijke staten, geldt dat voor vrouwen andersom, die zijn juist beter af dan de vrouwen in het westen.1
Op dit vlak is het interessant hoe het verleden doorwerkt in het heden, want zoals wellicht bekend was de arbeidsparticipatie van vrouwen in DDR erg hoog. In 1989 werkte maarliefst 91 procent van de DDR-vrouwen, vrijwel allemaal voltijd en met weinig onderbrekingen in de loopbaan. In de Bondsrepubliek was het percentage 51 procent, en was die participatie meestal in deeltijd (net als in Nederland).

Deze cijfers zijn een goede voedingsbodem voor de zogenoemde Ostalgie, de nostalgische herinnering aan de DDR als een land dat het in sommige opzichten beter deed dan het westen. En binnen dat genre bestaat ook zoiets als het DDR-feminisme: de opvatting dat de hoge arbeidsparticipatie en relatieve economische zelfstandigheid van vrouwen bewijzen dat de DDR op dat vlak verder was dan de Bondsrepubliek.
Maar het beeld dat het DDR-feminisme schetst is wel iets te rooskleurig. Ook in de DDR was er bijvoorbeeld nog een forse loonkloof van zo’n 25 procent omdat ook in de DDR vrouwen vaak in minder betalende sectoren terechtkwamen zoals zorg en onderwijs.
En, zoals ik al schreef, voor een specifieke groep pakte de hereniging juist nadelig uit: de vrouwen die in de DDR waren gescheiden, want in lijn met de gedachte dat vrouwen geacht werden volledig economisch zelfstandig te zijn, kende de DDR ook geen alimentatierecht, ondanks de reële loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Pensioenkloven dichten
Hoe dan ook, de pensioenkloof bestaat, ook in Duitsland, en de vraag is wat een land eraan kan doen. Ook op dit punt helpt het weer dat Duitsland een omslagstelsel kent. Pensioenaanspraken zijn daarin geen kapitaalreserves maar politieke beslissingen over wie recht heeft op wat. Dat maakt het mogelijk om met betrekkelijk eenvoudige regelgeving te beslissen dat bepaalde periodes – jaren waarin iemand kinderen opvoedde, mantelzorg verleende, of om andere redenen tijdelijk niet werkte – alsnog meetellen voor de pensioenopbouw, ook al is er destijds niets ingelegd. In een kapitaalgedekt stelsel is dat veel moeilijker: wie niets heeft ingelegd, kan nergens aanspraak op maken.
Duitsland heeft daarom verschillende stappen gezet. De Kindererziehungszeiten, de zogenoemde kinderjaren, bestaan al langer: voor elk geboren kind worden een aantal jaren aan iemands pensioenbiografie bijgeschreven, alsof diegene in die periode gewoon had gewerkt tegen een gemiddeld loon. In 2014 werd dat mechanisme aanzienlijk uitgebreid met de introductie van de Mütterrente. Vrouwen die vóór 1992 kinderen hadden gekregen, en daarvoor slechts één jaar bijgeschreven kregen, kregen met terugwerkende kracht een extra jaar per kind. In 2019 werd dat voor moeders met drie of meer kinderen verder uitgebreid tot twee jaar per kind.
Het zijn allemaal maatregelen waar veel om te doen is: het kost veel, meerdere miljarden per jaar, en de dekking ervan is een politiek discussiepunt. Maar het laat goed zien wat een omslagstelsel kan: omdat er geen eigendomsrecht op een potje rust, kan een parlement met een gewone meerderheid beslissen dat de regels veranderen, zelfs met terugwerkende kracht.
In Duitsland heeft dat in de laatste 20 jaar tot een opmerkelijke verkleining van het pensioengat geleid, en het heeft het de achterstand ten opzichte van Nederland meer dan ingehaald.2
Ten slotte
Dit alles is niet bedoeld om hier de loftrompet te steken over het omslagstelsel. Wie naar de cijfers kijkt, ziet dat het Nederlandse systeem van vermogensopbouw zijn belofte ruimschoots waarmaakt: waar Duitsers het gemiddeld met iets meer dan de helft van hun vroegere loon moeten doen, sluit het Nederlandse pensioen voor vrijwel alle inkomensgroepen bijna volledig aan bij wat mensen gewend waren te verdienen (door AOW + pensioen). Dat is een prestatie die een omslagstelsel niet kan evenaren.
Maar er zit ook een bepaalde kracht in zo’n omslagstelsel. Na twee oorlogen die de pensioenkassen leegtrokken, na een hereniging waarbij miljoenen mensen zonder opgebouwd kapitaal in een nieuw stelsel moesten worden opgenomen, na decennia waarin vrouwen pensioenrechten misliepen, bleek bijsturen achteraf steeds mogelijk – al lukt dat niet altijd, zoals de mijnwerkers en de gescheiden vrouwen laten zien. In een kapitaalgedekt stelsel waren dit soort politieke besluiten veel moeilijker geweest. Het omslagstelsel heeft dus weliswaar geen grote reserves, maar het is wel een flexibel instrumen dat op zijn eigen manier ook zijn waarde heeft bewezen.

Nog een kort lijstje geraadpleegde literatuur (vooral over de DDR)
Hoffmann, Dierk, “Sozialistische Rentenreform? Die Debatte über die Verbesserung der Altersversorgung in der DDR 1956/57,” in: Stefan Fisch en Ulrike Haerendel (eds.) Geschichte und Gegenwart der Rentenversicherung in Deutschland: Beiträge zur Entstehung, Entwicklung und vergleichenden Einordnung der Alterssicherung im Sozialstaat (Berlijn 2000) 293–312.
Hoffmann, Elke. Das Alterssicherungssystem in der DDR: Zur Geschichte der Rentengesetzgebung 1946–1990 (Berlijn 1995).
Manow, Philip, “Die Sozialversicherung in der DDR und der BRD, 1945–1990: Über die Fortschrittlichkeit rückschrittlicher Institutionen.” MPIfG Discussion Paper 93/8 Max-Planck-Institut für Gesellschaftsforschung Keulen, 1993.
Otte, Steffen, “Zwischen Versorgungsprinzip und Selbstvorsorge: Die Geschichte einer Reform des DDR-Rentensystems”, Deutschland Archiv 45, nr. 3 (2012).
Pięciak, Wojciech. “Stasi-Renten: eine Fallstudie zur deutschen Vergangenheitspolitik.” In Etienne François, et. al. (eds.), Geschichtspolitik in Europa seit 1989: Deutschland, Frankreich und Polen im internationalen Vergleich (Göttingen 2013) 200-220.
Dit geldt voor de cohorten die hun hele loopbaan in de DDR hebben opgebouwd. Bij jongere Oost-Duitse vrouwen, die na 1990 de arbeidsmarkt opgingen, is de kloof al aanzienlijk groter. Zij volgen veel meer het West-Duitse patroon.
Dit wil overigens niet zeggen dat Nederlandse vrouwen er in absolute zin slechter aan toe zijn dan Duitse vrouwen. Het Nederlandse pensioenstelsel kent ook een van de hoogste vervangingsratio’s van alle OESO-landen, voor zowel hoge als lage inkomens. Dat betekent dat ondanks de grotere pensioenkloof in Nederland, gepensioneerde vrouwen hier toch een veel betere inkomenspositie hebben dan in Duitsland.





